GLP1 receptor agonisten: robuuste lange termijn gegevens

lira-exe

Sinds een aantal jaren zijn nieuwe medicamenten voor de behandeling van type 2 diabetes beschikbaar, de zogenaamde GLP1 receptoragonisten (GLP1RA). GLP1 is een hormoon, dat normaal in de darm wordt aangemaakt na een maaltijd, en de afgifte van insuline door de alvleesklier versterkt. Daarnaast vertraagt het de maagontlediging, waardoor de bloedglucose waarden na een maaltijd minder zullen stijgen, en versterkt het ons verzadigingsgevoel. GLP1RA zijn ontwikkeld om het effect van GLP1 na te bootsen: in de behandeling van mensen met type 2 diabetes verbeteren zij niet alleen glucosespiegel, maar door een effect op de hersenen en het verzadigingsgevoel verminderen zij de eetlust en hongergevoelens. Dit leidt tot een duidelijke verbetering van de diabetesregulatie, en tot gewichtsafname, die varieert tussen de 3 en de 15 kg. Veel gebruikte GLP1RA zijn exenatide (merknaam Byetta) en liraglutide (merknaam Victoza). In Nederland worden nog heel wat barrieres opgeworpen tegen deze behandeling.

(meer…)

De kunst van een diagnose stellen – schildklier en B12

UoHIELZl.jpg largeEigenlijk hebben wij mensen maar een heel bijzonder lichaam. Het is, soms wat sneller, soms wat minder snel, aan allerlei processen van slijtage onderhevig. Ook de manier waarop in ons lichaam bepaalde processen van de stofwisseling worden gereguleerd, varieert nogal. Daar hebben we last van als we bij klachten een diagnose willen stellen, of een behandeling willen instellen.

Ik geef een paar voorbeelden:
1. Schildklier
de waarde van de spiegel van schildklierhormoon wordt in ieders lichaam strikt gereguleerd, vergelijkbaar met het principe van een centrale verwarming. TSH uit de hypofyse stimuleert de schildklier om twee hormonen te maken, T4 en T3, en zodra de hypofyse zelf ‘voelt’ dat de spiegel op peil is, neemt de stimulatie van de schildklier weer af. Toch heeft niet iedereen de zelfde schildklierwaarde in het bloed. In de algemene, gezonde bevolking, varieert de TSH waarde tussen de 0.4 en de 4.0, en de vrijT4 waarde tussen de 11 en de 20 (een beetje afhankelijk van de gebruikte meettechniek).

Dat creeert al snel problemen. Stel, je TSH is 3.0 en je vT4 14; als je geen klachten hebt, dan lijkt me dat wel normaal. Maar stel dat iemand klachten heeft van vermoeidheid, is het dan nog steeds normaal of is dit een teken van een (beginnende) te langzame werking van de schildklier. Omdat vermoeidheid een weinig specifieke klacht is, is hier waarschijnlijk nog steeds sprake van NORMALE schildklierfunctie. Wetenschappelijk onderzoek laat zien, o.a. in het LifeLines onderzoek, dat 8-10% van de mensen een TSH waarde tussen de 4 en de 10 mU/l heeft, met een normale vT4 spiegel. Het overgrote merendeel van hen is klachtenvrij. En wanneer je deze metingen een aantal maanden later herhaalt, dan is bij velen de TSH waarde weer normaal geworden. Pas wanneer de TSH waarde duidelijk boven de 10 uitkomt, is dat een teken dat de hypofyse beduidend meer TSH moet afgeven om de T4 waarde op peil te houden, en spreken we van te langzame schildklierwerking (hypothyreoidie).
Daar komt nog een ander probleem bij: bij veel mensen met te langzame schildklierwerking gaat deze geleidelijk achteruit, en went men aan de iets veranderde omstandigheden. Zo gebeurt het regelmatig dat een hypothyreoidie bij toeval bij iemand ontdekt wordt, en de TSH sterk verhoogd is bij iemand die eigenlijk nauwelijks klachten heeft. Er blijkt geen enkele relatie te zijn tussen de mate en intensiteit van iemands klachten en de spiegel van TSH en/of vrijT4. Voor een wetenschappelijke onderbouwing hiervan, zie onder andere de figuren in het artikel van Elise Klaver: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/23530992?dopt=Abstract

2. Vitamine B12
De waarde van de vitamine B12 spiegel in het bloed wordt helemaal niet strict gereguleerd, maar is afhankelijk van hoeveel B12 we eten, en hoe goed we het in het lichaam opnemen. VitB12 zit vooral in dierlijke producten zoals vlees (vegetariers hebben daarom een grotere kans op B12 gebrek), en de opname in het lichaam is afhankelijk van een ingewikkeld mechanisme waarbij B12 eerst in de maag aan een bepaalde factor wordt gekoppeld (intrinsic factor, gefabriceerd door een specifiek type maagcellen), voordat het in de dunne darm kan worden opgenomen in het bloed. Je zou zeggen, hoe verzin je zo’n complex geheel. Blijkbaar is B12 als chemische stof te complex om zonder meer in ons lichaam te worden opgenomen, en was het evolutioniar gezien minder onvoordelig om zo’n systeem te ontwikkelen, dan om het darmslijmvlies beter doorlaatbaar te maken.

VitB12 gebrek vaststellen is nog veel complexer dan een te trage schildklier vaststellen. We vinden grote verschillen in de B12 spiegel van het bloed in de algemene bevolking. Ergens tussen de 200 en 600 pmol/l wordt in de regel als normaal beschouwd. Daarnaast kan de waarde van dag tot dag gemakkelijk 100 – 200 punten schelen !! Ook hier geldt dat eventuele klachten niet kunnen afgemeten worden aan de spiegel in het bloed. Sommige mensen hebben met een waarde van 120 pmol/l geen enkele klacht, anderen hebben bij waarden van 200 pmol/l soms heftige neurologische klachten. Om die reden zijn aanvullende bepalingen ontwikkeld die iets zouden kunnen zeggen over de aanwezigheid van B12 gebrek op weefselniveau. Dit zijn chemische stoffen als methylmalonzuur (MMA) en homocysteine (HCys). De idee is dat als deze waarden verhoogd zijn, dit de diagnose van vitB12 gebrek ondersteunt. Toch laten deze waarden ons vaak in de steek. Onderzoek in de VS heeft al jaren geleden laten zien, dat meer dan de helft van de mensen, die neurologische of andere klachten hadden én goed op B12 injecties reageerden, ‘normale’ waarden van B12, MMA en HCys hadden. Voor details leze men het fraaie artikel van dr. Solomon, hematoloog verbonden aan de Yale Universiteit; verplichte literatuur voor iedereen die het vitB12 probleem wil begrijpen: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15466926

B12-Absorption-graphicHet lijkt er op dat het vaststellen van vitB12 gebrek extra skills van een arts vragen in het afnemen van een goede anamnese en verrichten van lichamelijk onderzoek. Alleen afgaan op bloeduitslagen om de diagnose aan te tonen of uit te sluiten is niet juist gebleken. Het kan daarbij best wel lastig zijn om een klacht goed te interpreteren. Hoe algemener de klacht (bv. vermoeidheid, kouwelijkheid, obstipatie, onwel bevinden), hoe minder specifiek de klacht is voor een bepaalde aandoening. Bij twijfel wordt een behandeling met B12 injecties gestart, en gekeken naar de respons op de behandeling. Maar altijd moet van tevoren goed onderzoek, ook labonderzoek, worden gedaan; als men eenmaal met vitB12 injecties is begonnen, is het met terugwerkende kracht aantonen van vitB12 gebrek ERG moeilijk.

 

Photo by icethim

GLP1 receptor agonist vermindert cardiovasculaire complicaties

LiraglutideNEJM

Recent zijn de resultaten van de eerste landmark studie naar de cardiovasculaire benefits van behandeling met een GLP1RA gepresenteerd op het Amerikaanse Diabetes Congres in New Orleans, en gepubliceerd in het New England Journal of Medicine.

Een korte samenvatting van de studie:
The cardiovascular effect of liraglutide, a glucagon-like peptide 1 analogue, when added to standard care in patients with type 2 diabetes, remains unknown.
In a double-blind trial, randomly assigned patients with type 2 diabetes and high cardiovascular risk were to receive liraglutide or placebo. The primary composite outcome in the time-to-event analysis was the first occurrence of death from cardiovascular causes, nonfatal myocardial infarction, or nonfatal stroke. The primary hypothesis was that liraglutide would be noninferior to placebo with regard to the primary outcome, with a margin of 1.30 for the upper boundary of the 95% confidence interval of the hazard ratio. No adjustments for multiplicity were performed for the prespecified exploratory outcomes.
In the time-to-event analysis, the rate of the first occurrence of death from cardiovascular causes, nonfatal myocardial infarction, or nonfatal stroke among patients with type 2 diabetes mellitus was lower with liraglutide than with placebo.

Lees het volledige artikel op: http://www.nejm.org/doi/full/10.1056/NEJMoa1603827#t=article

 

Richtlijnen

ScreenHunter_221 May. 13 21.48

In de dagelijkse medische praktijk is goede communicatie belangrijk. Over wat iemand van een arts mag verwachten. Over alle zaken rond ziekten die we nog niet weten. Over hoop en vrees met betrekking tot genezing. Uitgebreide richtlijnen beschrijven veel van het medisch handelen. Sommige tellen meer dan tweehonderd bladzijden. Maar, hoe langer we richtlijnen gebruiken, hoe vaker we tegen individuele situaties aanlopen. Situaties waarin een (schildklier)ziekte toch net even anders verloopt, of waarin de behandeling toch net een beetje anders moet worden aangepakt.
Lees verder

Genetica van huid autofluorescentie

ScreenHunter_239 Jun. 08 21.16

Een nieuw artikel is zojuist gepubliceerd, als resultaat van onze vruchtbare samenwerking met de groep van Andrew Paterson, verbonden aan het “Hospital for Sick Children” in Toronto, Canada, en vele andere onderzoekers.

Titel: A New Locus for Skin Intrinsic Fluorescence in Type 1 Diabetes also Associated with Blood and Skin Glycated Proteins.
Authors: Roshandel D, Klein R, Klein BE, Wolffenbuttel BHR, van der Klauw MM, van Vliet-Ostaptchouk JV, Atzmon G, Ben-Avraham D, Crandall JP, Barzilai N, Bull SB, Canty AJ, Hosseini SM, Hiraki LT, Maynard J, Sell DR, Monnier VM, Cleary PA, Braffett BH; DCCT/EDIC Research Group, Paterson AD.
Journal: Diabetes. 2016 Apr 12. pii: db151484. [Epub ahead of print]

Lees verder

Schildklierperikelen

Regelmatig zien wij problemen met de schildklier voorbij komen. Sommige complex, sommige eenvoudig. Iedere week plaats ik één tweet met een actuele bevinding.

Week 1: De melding van de eerste week gaat over de switch van thyrax naar euthyrox. Deze man voelt zich uitstekend, zowel tijdens gebruik van thyrax als tijdens gebruik van euthyrox. Bij hem blijkt duidelijk dat de zelfde dosering euthyrox tot iets hogere T4 waarden leidt. Op FaceBook kunnen wij soms de ervaringen van mensen lezen, die na de switch naar euthyrox de dosis nog veel drastischer moeten verminderen.

SKvoorbeeld01

(meer…)

Kaalslag in de academische ziekenhuizen (Medisch Contact)

ScreenHunter_214 May. 06 20.28

Doordat zorgverzekeraars academische ziekenhuizen dwingen om laagcomplexe-hoogvolumezorg af te stoten worden de umc’s feitelijk financieel gemangeld. Op termijn kan dit de ondergang van de academische ziekenhuizen betekenen, waarschuwt medisch specialist Chris Mulder, afdelingshoofd maag-, darm- en leverziekten, VUmc, Amsterdam. Verzekeraars bepalen wat wel en niet academische zorg is en dat elk jaar opnieuw en zonder een structurele visie“. Het volledige artikel vindt u op de website van Medisch Contact:  http://goo.gl/12z1Rp.Zo verdwijnen de mamma- en colonkankerchirurgie in snel tempo uit de umc’s. Dit gebeurt doordat verzekeraars contracten aanbieden die betrokkenen in de umc’s als benauwend, soms zelfs als wurgend ervaren. Uitplaatsing van laagcomplexe zorg betekent dat steeds meer geld voor zorg, opleiding van assistenten en onderwijs aan coassistenten naar de conglomeraten van perifere ziekenhuizen overgaat. Het probleem dat hiermee in de umc’s gecreëerd wordt, blijft tot op heden onbenoemd.”, zegt Mulder.

(meer…)

Please do not follow me at Academia.edu

ScreenHunter_209 May. 05 18.49

Vandaag stond een berichtje op Twitter, dat suggereerde dat wetenschappelijke artikelen die op de website Academia.edu worden gepost, veel vaker geciteerd worden dan een artikel uit hetzelfde tijdschrift, dat niet ‘gepost’ is. Guus van den Brekel van onze bibliotheek (@digicmb) attendeerde ons hierop. Met andere woorden: het is verstandig je artikelen via Academia.edu te delen als je (vaker) geciteerd wilt worden.

(meer…)

Determinanten van huid autofluorescentie

ScreenHunter_205 May. 05 16.28

Background
Skin autofluorescence (SAF) is a noninvasive marker of advanced glycation end products (AGEs). In diabetes, higher SAF levels have been positively associated with long-term complications, cardiovascular morbidity and mortality. Because little is known about the factors that influence SAF in nondiabetic individuals, we assessed the association of clinical and lifestyle parameters with SAF as well as their interactions in a large-scale, nondiabetic population and performed the same analysis in a type 2 diabetic subgroup.
Methods
In a cross-sectional study in participants from the LifeLines Cohort Study, extensive clinical and biochemical phenotyping, including SAF measurement, was assessed in 9009 subjects of whom 314 (3.5%) subjects with type 2 diabetes.
Results
Mean SAF was 2.04 ± 0.44 arbitrary units (AU) in nondiabetic individuals and 2.44 ± 0.55 AU in type 2 diabetic subjects (P < 0.0001). Multivariate backward regression analysis showed that in the nondiabetic population, SAF was significantly and independently associated with age, BMI, HbA1c, creatinine clearance, genetic polymorphism in NAT2 (rs4921914), current smoking, pack-years of smoking and coffee consumption. In the type 2 diabetic group, a similar set of factors was associated with SAF, except for coffee consumption.
Conclusions
In addition to the established literature on type 2 diabetes, we have demonstrated that SAF levels are associated with several clinical and lifestyle factors in the nondiabetic population. These parameters should be taken into consideration when using SAF as a screening or prediction tool for populations at risk for cardiovascular disease and diabetes.
Keywords
Advanced glycation end products, aging, cardiovascular disease, determinants, skin autofluorescence, type 2 diabetes.
Eur J Clin Invest 2016; 46 (5): 481–490
For a full link to the pdf, use: http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/eci.12627/epdf

 

Gestational diabetes mellitus: current knowledge and unmet needs

ScreenHunter_204 May. 05 16.21

Een fraai review artikel van mijn promovendus Sarah Koning staat inmiddels online.

J Diabetes. 2016 Apr 27. doi: 10.1111/1753-0407.12422. [Epub ahead of print]
GESTATIONAL DIABETES MELLITUS: current knowledge and unmet needs.
Koning SH, Hoogenberg K, Lutgers HL, VAN DEN Berg PP, Wolffenbuttel BHR.

Abstract
Gestational diabetes mellitus (GDM) is a world-wide health concern, not only because its prevalence is high and on the increase, but also because of the potential implications for the health of mothers and their offspring. Unfortunately, much controversy exist in the literature surrounds the diagnosis and treatment of GDM, but also on the possible long-term consequences for the offspring. As a result, worldwide there is a lack of uniformly accepted diagnostic criteria and the advice according treatment – including diet, insulin therapy, and the use of oral blood glucose-lowering agents – of GDM is highly variable. In this review we provide an overview of the important issues in the field of GDM, including the diagnostic criteria, the different treatment regimens available, and the long-term consequences of GDM in the offspring.

Ondanks de afspraken tussen de uitgever Wiley en de VSNU (http://goo.gl/Qtbbsf) staat het artikel nog steeds achter een pay-wall. Wiley pikt nog even een graantje mee van die lezers, die het direct willen downloaden. Wacht nog even met downloaden, het artikel zal weldra open access beschikbaar zijn.

ScreenHunter_203 May. 05 16.13

Genetische aspecten van autofluorescentie van de huid

Hoeveel risico iemand met diabetes loopt op complicaties, zoals hart- en vaatziekten kan met een AGE-reader gemeten worden. AGE’s geven een nauwkeurigere indicatie van de kans op complicaties dan de klassieke indicatoren als de HbA1c-waarde in het bloed. De AGE-reader is een in Groningen ontwikkeld apparaat waarmee op snelle, eenvoudige en niet belastende manier AGE”s (Advanced Glycation Endproducts) worden gemeten.

Onderzoekers uit Nederland en de VS hebben nu een belangrijk gen aangetoond, dat van invloed is op de meting met de AGE reader. Zowel in het LifeLines onderzoek onder 8721 mensen zonder diabetes, en in de DCCT studie, verricht in de VS onder ruim 1400 mensen met type 1 diabetes, bleek het NAT2 gen een belangrijke invloed te hebben op de met een AGE reader gemeten autofluorescentie van de huid.

U vindt het artikel op de website van Springer HIER .