door bhrw | jul 3, 2026 | gezondheidszorg |

Door het werk van o.a. de internist Hilde Royen (Zwolle) en hematoloog Marlijn Hoeks (Nijmegen) is er steeds meer aandacht voor het vaak over het hoofd geziene probleem van ijzertekort. Zij hebben vastgesteld dat de ‘normaalwaarden’ voor vrouwen veel te laag liggen. Een recent NRC-artikel ging hierop in, daarover in een volgend blog meer.
Tijd voor wat praktijkervaringen over ijzer, omdat de kennis hierover soms desastreus beperkt is.
Maart 2026
Een vrouw komt bij de dokter in verband met ijzertekort. De serum ferritine waarde is 10, normaal boven de 50. Er zijn buikpijn- en diarreeklachten, die er mogelijk op wijzen dat deze dame coeliakie (glutenintolerantie, een autoimmuun ziekte) heeft.
Zij krijgt het volgende advies:
Ga de komende 6 weken ferrofumaraat gebruiken, 3x per week een tablet van 200mg, daarna doen we een lab controle om te kijken of het gestegen is, en vragen we ook onderzoek naar coeliakie aan.
Wat zegt dr. Google (en onze “common sense”)?
Vraag: wordt orale ijzersuppletie goed opgenomen bij onbehandelde coeliakie?
Antwoord (AI-overzicht):
Nee, bij onbehandelde coeliakie wordt orale ijzersuppletie doorgaans niet goed opgenomen. De beschadiging van de dunne darm (vlokatrofie) zorgt voor ernstige malabsorptie. Hierdoor kunnen voedingsstoffen, waaronder ijzer, onvoldoende worden opgenomen uit zowel voeding als ijzerpillen. De belangrijkste punten op een rij:
* Beschadigd slijmvlies: IJzer wordt vooral in het eerste deel van de dunne darm (twaalfvingerige darm) opgenomen. Juist dit deel is bij onbehandelde coeliakie beschadigd.
* Effect van de behandeling: Pas wanneer strikt een glutenvrij dieet wordt gevolgd, herstelt het darmslijmvlies. Hierna verbetert de opname van ijzer aanzienlijk.
* Alternatieven: Als de ijzerwaarden ondanks een glutenvrij dieet te laag blijven, of als er sprake is van ernstige bloedarmoede tijdens de darmgenezing, kan de arts intraveneuze ijzertherapie (via een infuus) overwegen om de voorraden direct aan te vullen.
Wat zeggen de officiële NL richtlijnen?
“Het is te verwachten dat bij herstel van vlokatrofie en het verdwijnen van inflammatie door het volgen van een glutenvrij dieet de deficiënties die ontstaan zijn door malabsorptie over het algemeen zullen herstellen bij patiënten met coeliakie. Het betreft hier voornamelijk ijzergebrek en foliumzuurdeficiëntie (Kreutz, 2020; Saibeni, 2005; Wessels, 2016). Het herstel van een ijzergebrek kan lang duren (Annibale, 2001; Stefanelli, 2020).”
Bron: https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/coeliakie_en_glutengerelateerde_aandoeningen/behandeling_glutenvrij_dieet/vitaminen-_en_mineralendefici_nties_tijdens_gvd.html
IJzersuppletie voorschrijven aan iemand met een mogelijke coeliakie is dus niet verstandig; de kans op bijwerkingen is groter dan de kans dat het ijzer in het lichaam wordt opgenomen. Eerst een juiste diagnose, en bij bewezen coeliakie starten met een glutenvrij dieet! Daarna kun je beginnen het ijzertekort aan te vullen.
Mooie bron om te horen over de ins en outs van coeliakie: Medische Publieksacademie UMCG – Glutenintolerantie: https://www.youtube.com/watch?v=Gzdd-9F5ltY
door bhrw | mei 14, 2026 | AGEs, wetenschap |
Promising medication which did not ‘make it’…
Part 1: Chemistry and Mechanism of Action
Advanced Glycation End Products
ALT-711, also known as alagebrium, is a pharmaceutical compound designed to address a specific biological problem: the accumulation of so-called advanced glycation end products (AGEs) in the human body. To understand how this drug works, we first need to grasp what AGEs are and why they matter.
AGEs form naturally in our bodies through a chemical process called glycation. When glucose molecules are present in our body at high levels -for instance, in people with diabetes or during normal ageing – they bond with or attach to proteins and other molecules in our tissues. These sugar-protein bonds are essentially permanent connections that stiffen and damage the structures they attach to. Some of these bonds are cross-linking bonds: the glucose bond allows two proteins to attach to each other, it acts as a sort of glue, making two protein molecules stick to each other. Over time, such AGEs accumulate in blood vessels, the heart, kidneys, and other organs, causing them to lose flexibility and function properly.


The Mechanism: Breaking Chemical Bonds
ALT-711 operates through a unique mechanism that sets it apart from other drugs. Rather than preventing new AGEs from forming (which other compounds like aminoguanidine attempt to do), ALT-711 actually breaks existing cross-links that have already formed between glucose and proteins. Think of it like untangling a knot that’s already been tied—it goes to work on damage that’s already done.
Specifically, ALT-711 cleaves carbohydrate-protein bonds that are characteristic of AGE complexes. This reversal of existing damage is groundbreaking because AGE cross-links were previously thought to be permanent. By breaking these bonds, ALT-711 can theoretically restore flexibility to stiffened tissues, particularly in blood vessels and the heart.
Why This Matters for Blood Vessels and the Heart
When AGEs accumulate in large arteries, they cause arteries to stiffen and lose their natural elasticity. Normally, arteries are flexible tubes that expand and contract with each heartbeat, helping to pump blood throughout the body. When AGEs cause stiffening, this natural pumping action becomes compromised. By breaking AGE cross-links, ALT-711 can restore large artery compliance—essentially returning flexibility and volume capacity to blood vessels. This improved elasticity means blood vessels can function more like they should, potentially reducing strain on the heart and improving overall cardiovascular function.
Chemical Classification
ALT-711 represents a first-of-its-kind class of drugs called AGE crosslink breakers. Unlike previous approaches that focused on slowing AGE formation, this compound targets the fundamental structural problem: the rigid bonds that make tissues stiff and dysfunctional.
The significance of this approach cannot be overstated. If successful, it would represent a therapeutic paradigm shift—moving from prevention to reversal in addressing ageing-related vascular stiffness and dysfunction.
References:
* Treskes M, Wolffenbuttel BHR. Lange termijn schade van diabetes mellitus: de rol van irreversibele glyceringsproducten. Ned Tijdschr Geneeskd 1996; 140: 1299-1303.
* Wolffenbuttel BHR, Boulanger CM, Crijns FRL, Huijberts MSP, Poitevin P, Swennen GNM, Vasan S, Egan JJ, Cerami A, Lévy BI. Breakers of advanced glycation endproducts restore large artery properties in experimental diabetes. Proc Natl Acad Sci USA 1998; 4630-4.
* Mentink CJ, Hendriks M, Levels AA, Wolffenbuttel BHR. Glucose-mediated cross-linking of collagen in rat tendon and skin. Clin Chim Acta 2002; 321: 69-76.
Source for the figures:
* Mentink, C. Thesis AGEs and diabetic complications. Maastricht, 2006
* Ulrich P, Cerami A. Protein glycation, diabetes, and aging. Recent Prog. Horm. Res. 2001;56:1-21.
Part 2: Animal Studies
Evidence of Promising Preclinical Results
The available literature indicates that ALT-711 showed promising results in animals before human trials began. These experimental and preclinical studies demonstrated that the drug could improve cardiac function and reduce symptoms in heart failure models. The fact that researchers proceeded from animal studies to human clinical trials suggests that the preclinical safety and efficacy data were sufficiently encouraging to warrant further investigation.
Mechanism Validation in Animal Models
Animal studies focused on validating the proposed mechanism of action—that breaking AGE cross-links would actually restore tissue flexibility and improve organ function.
My group did an extensive study into the mechanism of action of ALT-711, in which we evaluated the effects of treatment with ALT-711 on functional arterial wall properties in diabetic rats. This work was done in the department of Professor Bernard Levy in Paris. Male Wistar rats were made diabetic at the age of 9–10 weeks by i.p. injection of 70 mg/kg of streptozotocin. Only animals that developed blood glucose levels >15 mmol/liter were used. After 9 weeks of diabetes, the animals were divided into three groups: one group was studied to assess the exact hemodynamic changes that were caused by the diabetic state (n = 13), and two groups received ALT-711 (1.0 mg/kg per day i.p.) for either 1 or 3 weeks (n = 8–10 animals in each group) to assess possible reversal of the diabetes-induced cardiovascular abnormalities by treatment with this compound.

The different approaches used in these studies consistently show the beneficial effects of treatment with the AGE breaker ALT-711 on arterial elasticity. In vivo, treatment increased systemic arterial compliance (SAC) and reduced characteristic aortic input impedance (Zc). There was a decrease in carotid artery stiffness, as assessed with ultrasound in vivo and in vitro. These effects seemed to be related to the duration of the treatment, with stronger effects after 3 weeks than after 1 week. The finding of the marked increase in compliance and decrease in impedance cannot be attributed to differences in BP, which did not change during treatment; therefore, it reflects intrinsic modifications of the mechanical properties of the arterial wall. The increase of SAC and decrease of Zc indicate that because of treatment with ALT-711 the stiffness of the aorta was reduced by 25% (SAC) to 35% (Zc) to levels comparable to those observed in nondiabetic animals. This improvement was comparable to our results achieved with preventive treatment with aminoguanidine in diabetic rats.

In healthy older monkeys without diabetes, ALT-711 improved both arterial and ventricular function and optimised ventriculo-vascular coupling (https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/11158613/).

In aged dogs, 1 month of administration of ALT-711 yielded a significant reduction (approximately 40%) in age-related left ventricular (LV) stiffness. This decrease was accompanied by an improvement in cardiac function (https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/10706607/). Furthermore, in Sprague-Dawley rats made diabetic with a streptozotocin injection, ALT-711 treatment restored LV collagen solubility and cardiac BNP, in association with reduced cardiac AGE levels and abrogation of the increases in RAGE, AGE-R3, CTGF, and collagen III expression (https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/12623881/). And a study in dogs confirmed these beneficial effects on the heart. Diabetes induced in the aging heart decreased LV systolic function (LV ejection fraction fell by 25%), increased aortic stiffness, and increased collagen type I and type III protein content. ALT-711 restored LV ejection fraction, reduced aortic stiffness and LV mass with no reduction in blood glucose level, and reversed the upregulation of collagen type I and type III. Myocardial LV collagen solubility (%) increased significantly after treatment with ALT-711 (https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/12946933/).

Part 3: Clinical Studies in Humans
will follow soon
Prepared with assistance by Perplexity.
door bhrw | apr 9, 2026 | gezondheidszorg, social media, wetenschap |
Altmetric: een moderne manier om de impact van wetenschappelijk onderzoek te meten.

Stel je voor: je bent arts of wetenschapper en je publiceert een artikel over een nieuw medicijn of een klimaatmodel. Traditioneel meet je succes aan de hand van citaties in andere wetenschappelijke artikelen – hoe vaak anderen je werk aanhalen. Maar dat duurt jaren en zegt weinig over wat er buiten de academische wereld gebeurt. Hoe weet je of journalisten erover schrijven, of het op sociale media besproken wordt, of hoe en wanneer beleidsmakers het gebruiken? Hier komt Altmetric om de hoek kijken. Dit programma, gebaseerd op altmetrics (alternatieve meetmethoden), volgt de online aandacht voor iemand’s onderzoek en geeft een breder beeld van de impact.
Altmetric is een systeem dat automatisch data verzamelt uit tientallen bronnen op internet. Denk aan sociale media zoals Twitter, BlueSky en Facebook, waar mensen je artikel delen of bespreken. Het haalt ook info van kranten als The Guardian of New Scientist, blogs van onderzoekers of organisaties zoals Cancer Research UK, en tools als Mendeley waar wetenschappers artikelen opslaan en aanbevelen. Zelfs niet-Engelstalige media en beleidsdocumenten worden meegenomen. Het slimme is dat Altmetric ‘linkt’ herkent: een tweet over een samenvatting van een wetenschappelijk artikel op PubMed, een krantenartikel via de uitgever en een blog – allemaal over hetzelfde artikel – worden samengevoegd tot één overzicht.
Het hart van Altmetric is de zogenaamde Altmetric Attention Score, een getal in een kleurrijke ‘donut’ of badge die je vaak ziet bij artikelen op websites van tijdschriften. Deze score vat de hoeveelheid en kwaliteit van de aandacht samen. Een algoritme berekent het door factoren mee te wegen zoals het bereik van de bron (een tweet van een beroemde professor telt zwaarder dan een random post), de taal, en of het positief of negatief is. Het is geen perfecte wetenschap – het is een momentopname die continu update – maar het geeft snel inzicht in hoe je werk resoneert.
Een voorbeeld, aan de hand van één van onze artikelen:



Voor wetenschappers biedt dit enorme voordelen, vooral in een tijd waarin ‘open science’ en maatschappelijke relevantie steeds belangrijker worden. Traditionele metrics zoals de Journal Impact Factor (JIF $) berekenen vooral citaties in topbladen en negeren boeken, blogs of praktijkimpact. Altmetrics corrigeren dat: ze tonen niet alleen berichten over een artikel, maar ook hoe je onderzoek de samenleving raakt – via nieuws, beleid of publiek debat. Bijvoorbeeld: scoort je artikel hoog op Twitter? Dan bereikt het veel niet-wetenschappers, mensen van patiënten organisaties, en misschien ook policymakers. Er zijn steeds meer mensen die bijvoorbeeld preprint-servers (websites waar artikelen worden verzameld / gedeponeerd die nog niet door reviewers beoordeeld en gepubliceerd zijn) volgen en screenen wanneer weer een artikel wordt gepubliceerd over hun favoriete onderwerp. Wordt het genoemd in een rapport? Dat wijst op praktische toepassing.
Met de gratis Altmetric-bookmarklet (een browser-extensie) check je direct de score van elk artikel via DOI * of PMID **. Instellingen zoals universiteiten hebben vaak toegang tot Altmetric Explorer for Institutions (EFI), een dashboard waar je zoekt op auteur, afdeling of groep. Zo zie je welke papers van jouw groep het meest besproken worden, inclusief sentimentanalyse (positief/negatief) en demografische details over wie erover praat. Handig voor grant-aanvragen: “Kijk, ons werk werd opgepikt door 50 media en 200 tweets!” Het helpt ook om trends te spotten, zoals groeiende aandacht over de tijd, en om te netwerken met wie je werk deelt.
$ JIF: De Journal Impact Factor (JIF), ook wel impactfactor genoemd, is een maat die de gemiddelde citatiefrequentie van artikelen in een wetenschappelijk tijdschrift aangeeft. Hoe hoger de JIF, hoe vaker artikelen uit dit tijdschrift geciteerd worden door andere onderzoekers.
* DOI: een Digital Object Identifier (DOI) is een unieke, permanente alfanumerieke code die wordt toegewezen aan digitale objecten, zoals wetenschappelijke artikelen, datasets en rapporten. Het functioneert als een “digitale vingerafdruk” die zorgt voor duurzame vindbaarheid en citeerbaarheid.
** PMID: een PMID (PubMed Identifier) is een uniek nummer dat door de National Library of Medicine (NLM) in de VS wordt toegewezen aan elk artikel in de PubMed-database (https://https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/). Met dit unieke nummer kun je wetenschappelijke biomedische publicaties snel en accuraat terugvinden, zonder de volledige titel of auteursnaam nodig te hebben.
Maar die sentiment analyse, die blijkt vaak niet te kloppen. Althans, ik bekeek dit voor enkele negatieve “beoordelingen” door Altmetric. In meerdere gevallen werd de referentie naar één van mijn publicaties, gebruikt om een bewering van iemand te ontzenuwen, als negatief beoordeeld. Ook hier een voorbeeld: ons NHANES-artikel krijgt een negatieve beoordeling van Altmetric op basis van deze tweets. Onbegrijpelijk.:

Altmetric geeft daarom terecht een uitgebreide disclaimer:
“This feature uses AI to assign sentiment scoring to posts that mention research. Although the quality of AI outputs is often high, they may contain incorrect information. The validity of the output should be verified by reviewing the referenced documents.”

Het is mogelijk om een negatieve beoordeling van een kanttekening te voorzien, maar het is mij volstrekt onduidelijk wat Altmetric precies met deze feedback doet.
Altmetric is een aanvulling, geen vervanging voor citaties. Het is vluchtig – een hype op social media kan morgen weg zijn – en niet altijd betrouwbaar voor evaluaties. Experts waarschuwen: gebruik het kwalitatief, naast expert-oordeel, zoals in het Leiden Manifesto voor onderzoekmetrics (https://www.leidenmanifesto.org/). Focus niet blind op getallen; ze ondersteunen verhalen over bereik en invloed. Desondanks transformeert het de wetenschap: het maakt impact meetbaar op het ‘sociale web’, waar onderzoek sneller leeft en breder landt.
Samenvattend, Altmetric helpt wetenschappers hun werk zichtbaarder te maken, en geeft inzichten in zaken als impact en relevantie. In een wereld waar wetenschapsfondsen en universiteiten steeds meer waarde hechten aan maatschappelijke impact, is dit veel waard. Het moedigt artsen en onderzoekers aan om gegevens en resultaten van wetenschappelijk onderzoek te delen, breed te communiceren en te laten zien dat wetenschap niet alleen in ivoren torens blijft, maar de hand reikt naar de echte wereld.
Links:
https://libguides.ru.nl/medisch/bibliometrie/
https://mindthegraph.com/blog/nl/altmetric/
https://library.maastrichtuniversity.nl/database/altmetrics/
https://uba.uva.nl/content/nieuws/2025/01/library-research-hack-altmetric-explorer.html?cb
door bhrw | mrt 24, 2026 | gezondheidszorg, schildklier |
De opmerking, die de dame maakte die tegenover mij in de spreekkamer zat, kwam blijkbaar uit de grond van haar hart. “Eigenlijk ben je maar een sukkel”, zo vond zij. Het gesprek ging over haar schildklier. Zij had al jaren hypothyreoïdie door de ziekte van Hashimoto, waarvoor zij aanvankelijk alleen Thyrax gebruikte. Omdat zij klachten bleef houden van vermoeidheid, spierklachten en slecht kunnen concentreren, was zij enkele jaren eerder er cytomel bij gaan gebruiken. Cytomel is een T3 preparaat. T3 is het actieve schildklierhormoon, en in ons lichaam wordt T4 eerst in T3 omgezet, voordat het onze stofwisseling kan reguleren. Bij gebruik van de combinatie van thyrax en cytomel voelde zij zich fitter en alerter. Haar nieuwe huisarts had echter geen ervaring met deze behandeling, en verwees haar naar een ziekenhuis in de buurt. De betreffende specialist, nota bene een endocrinoloog, vond het ‘dom’ (dit zijn patiënte’s eigen woorden) dat zij cytomel gebruikte, en oordeelde dat zij beter met alleen thyrax kon worden behandeld. Met tegenzin stopte zij de cytomel, en prompt kwamen een flink aantal klachten weer terug.
Vanwege dit probleem zat zij tegenover mij. Zij benadrukte mijn sukkeligheid, nadat ik haar had uitgelegd hoe weinig we nog maar weten over de voor- en nadelen van het gecombineerd gebruik van thyrax en cytomel. Cytomel is een relatief snelwerkend preparaat, met een piek in het bloed na zo’n 2.5 uur; sommige mensen merken dat aan bijwerkingen als bv. hartkloppingen.

T3 in de weefsels
Wat is nou de beste manier om de dosering van cytomel te controleren? Allereerst weten we niet of de waarde van T3 in het bloed een goede afspiegeling is van de hoeveelheid T3 in de diverse weefsels van ons lichaam. Onderzoek bij proefdieren, die schildklierhormoon kregen, toont dat er duidelijke verschillen zijn tussen T3 in het bloed en in de weefsels zoals het hart. Maar proefdieren reageren niet helemaal als mensen. Ratten die alleen thyroxine (T4) krijgen, hebben bijna altijd nog verhoogde TSH waarden.
Sommige dokters kijken inderdaad alleen naar de waarde van dit hypofysehormoon TSH. Omdat de TSH waarde een reactie is op de hoeveelheid T3 in de hypofyse klier, denkt men dat een normaal TSH gehalte in het bloed een afspiegeling van een normale hoeveelheid T3 aldaar. In Nederland ligt in de bevolking de gemiddelde TSH waarde rond de 2.0 mU/l, vrijT4 15 pmol/l, en vrijT3 4.8 pmol/l. We weten wel dat mensen die alleen thyrax gebruiken, en een normale TSH waarde hebben van rond de 2.0 mU/l, op dat moment een hóger vT4 en een lager vT3 gehalte in het bloed hebben dan mensen zonder schildklierproblemen.
Verlaagd TSH
Bovendien zal cytomel na inname snel de TSH waarde onderdrukken. Veel mensen die cytomel gebruiken hebben een normale vT3 spiegel in het bloed, een beetje afhankelijk van het moment van de dag waarop bloed geprikt wordt, maar wel een verlaagd TSH gehalte. En er zijn aanwijzingen dat een verlaagd TSH gepaard gaat met een grotere kans op hartklachten en botontkalking. Onderzoek in Groningen bij patiënten met schildklierkanker toonde aan dat mensen met TSH waarden, die lange tijd lager zijn dan 0.02 mU/l, een grotere kans hebben op hart- en vaatziekten (zie figuur 2). We weten niet of dat voor mensen met een te langzaam werkende schildklier (hypothyreoïdie) ook geldt.

(A) sterfte aan hart- en vaatziekten, en (B) totale sterfte bij patiënten met schildklierkanker, afhankelijk van hun gemiddelde TSH waarde. TSH categorie 1, TSH lager dan 0.02 mU/L; categorie 2, TSH tussen 0.02 en 0.2 mU/L; en categorie 3, TSH boven de 0.2 mU/L. De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 49 jaar. Bron: http://jco.ascopubs.org/content/31/32/4046/F3.large.jpg
Wanneer bloed prikken
We weten ook eigenlijk niet wat het beste moment is om bij gebruik van cytomel de vT3 waarde te controleren. Moet je dat ’s ochtends nuchter doen, wat meestal betekent zo’n 12-14 uur na de inname van het laatste tablet van cytomel, of moet je dat een aantal uren na inname doen, met de grootste kans dat de TSH waarde dan is onderdrukt? Als iemand onderzoeken kent, waarin een aantal keren per dag de bloedwaarden van schildklierhormoon zijn gemeten tijdens langdurig gebruik van cytomel, dan houd ik me aanbevolen.
’t Kan minder
Iemand anders zei ooit tegen mij: “Ik heb wel lichte klachten bij de cytomel: wat meer zweten, onrustig en oppervlakkig slapen, iets hoge hartslag. Dat laatste heb ik overigens mijn hele leven al. Maar mijn dochter klaagt niet meer, als ik haar aanraak, omdat ze me altijd veeeeel te koud vindt. Verder voel ik me scherper en alerter, minder last van down-gevoelens, meer zin in dingen. Ik neem die lage TSH waarde dus wel voor lief, met alle theoretische risico’s die daar bij horen.”
De lange termijn?
Bijwerkingen van medicijnen komen niet altijd snel aan het licht. Het is heel goed mogelijk dat een onderdrukte TSH waarde bij cytomel minder gevolgen heeft op de lange termijn dan bij gebruik van T4 alleen. Ook dit weten we niet.
Terug naar mijn patiënte. Zij is weer met cytomel begonnen, en het gaat haar weer stukken beter. Zij vraagt zich overigens af waarom sommige endocrinologen het gebruik van cytomel pertinent afwijzen, terwijl veel patiënten er zo duidelijk baat bij hebben. Alleen om de theoretische mogelijkheid van een kleine kans problemen op de lange termijn? Zij vraagt zich ook af waarom er zo weinig onderzoek gedaan wordt op dit gebied, en waarom alle aandacht gaat naar dure ingrepen en dure pillen. En ja, zij vindt mij nog steeds een sukkel. Gelukkig is zij niet de enige.
Dit stukje verscheen in druk in het Magazine Endocrinologie, 2016, nr.1
door bhrw | mrt 22, 2026 | diabetes, gezondheidszorg |



door bhrw | mrt 21, 2026 | B12, gezondheidszorg |
Ask any doctor which assay their laboratory uses for measuring auto-antibodies against intrinsic factor, and I am sure that over 95% of them do not have any clue. Yet, measuring IF antibodies plays an important role in the diagnosis of pernicious anaemia. The NICE guidelines state the following:

In November 2025, CluB-12 published three ‘Articles of the month’ on their website and in their monthly Newsletter. The reason for this selection was an email from a Dutch doctor stating, ”I only give B12 injections to people who are anaemic and have antibodies against intrinsic factor.”
Although vitamin B12 is an under-researched topic (which CluB-12 aims to correct), they selected the following three papers, in which the authors describe how they assessed the presence of IF antibodies in people with B12 deficiency.

What are the main findings of these papers?
In a study of 62 people with Biermer’s disease (another name for pernicious anaemia) in France (defined as B12 deficiency with either anaemia, atrophic gastritis, or severe neurological symptoms), 29 (47%) had detectable anti-IF antibodies when the authors used the DiaSorin assay (measurement method). When they repeated the measurements using other assays, such as those from Dxl, Aeskulisa, or BioAdvance, only 16, 12, and 12 people out of 62, respectively, tested positive for anti-IF antibodies.
A study in Poland included 124 people with proven pernicious anaemia. Of these, only 38 (30%) had antibodies to intrinsic factor (measured w. EliA, Thermo Fisher, Germany).
A study in Spain examined 5468 primary care patients out of whom 77 people had SEVERE vitamin B12 deficiency, defined as a serum B12 level below 74 pmol/L. A total of 44 patients (57%) had anti-parietal cell antibodies, whereas only 14% (11 of the 77) had antibodies to intrinsic factor (measured w. ELISA, Euroimmun, Germany). Worse still, only 32% had anaemia. The study does not mention the final diagnosis of these 77 unfortunate individuals. Given that around 1% of the population in Spain follows a plant-based diet, it is possible that some of these people had a B12 deficiency due to insufficient B12 intake, thus unrelated to the presence or absence of IF antibodies. Nevertheless, they all had a severe deficiency.
Key takeaway: Depending on the study, between 14 and 47% of people with PA had IF antibodies, but differences between assays may result in much lower percentages. The doctor who only treats people with B12 injections if they have anaemia with antibodies to intrinsic factor is, unfortunately, leaving many people with overt B12 deficiency untreated.
Links:
https://onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.1002/jcla.20272
https://www.degruyterbrill.com/document/doi/10.1515/cclm-2019-0749/html
https://www.mp.pl/paim/issue/article/15094/
It gets worse. A few weeks ago, a woman visited a medical specialist in the Netherlands. She was known to have pernicious anaemia, and had demonstrable auto-antibodies both against parietal cells and against intrinsic factor. Cause of the pernicious anaemia is, thus, autoimmune gastritis. Treatment with hydroxocobalamin injections according to the guidelines greatly reduced her symptoms. Yet, this medical specialist measured serum B12 and measured IF antibodies AGAIN. Serum B12 was high (PS. as is expected in people injecting B12) and IF antibodies were negative, so the advice was to stop B12 injections. The guidelines -reported above- are very clear, do not re-measure IF antibodies when they already tested positive on a previous occasion. It has been known for a couple of decades that high serum B12 in people injecting hydroxocobalamin may lead to false-negative IF antibody test results. Therefore, it is mandatory to do a good diagnostic work-up in people with pernicious anaemia BEFORE starting intramuscular B12 therapy. Testing again is throwing money out the window, as most laboratories charge between 40 and 60 Euro for such a test. No wonder that health care costs are increasing year after year….. lack of knowledge and unnecessary lab testing are expensive.
Also, stopping B12 injections in a person with demonstrated pernicious anaemia and B12 malabsorption is not the best advice, to say it politely. In pernicious anaemia, there is a very high risk of worsening or recurrence of symptoms when B12 injections are stopped, and even when people are forced to switch to oral supplementation. This is why the NICE guidelines are very explicit: lifelong intramuscular vitamin B12 therapy !

Stopping B12 therapy in people with pernicious anaemia is bad practice.
You can read all about this here: https://www.nice.org.uk/guidance/ng239
This article appeared previously in CluB-12’s November 2026 newsletter.
For translation into Dutch, copy this blog to Google Translate
Recente reacties