Klinische kennis

Amsterdam kende vroeger een eminent hoogleraar Neurologie, professor Arie Biemond (1902-1973), van wie uitstekende kennis, brede klinische ervaring, grote voorkomendheid en enthousiasme de belangrijkste kenmerken waren. Dit kunnen we teruglezen in een uitgebreide beschrijving van zijn persoon en klinische werk, geschreven door twee van zijn voormalige assistenten, dr. Frederiks en Blomjous (https://www.neurologie.nl/wp-content/uploads/2022/01/History-of-Neurology-in-the-Netherlands-hoofdstuk-17-blz-283-290.pdf). Dit blog is mede een eerbetoon aan de klinische kennis die professor Biemond had ontwikkeld over de desastreuze gevolgen van vitamine B12 tekort voor het zenuwstelsel.

 

Klinische lezing

Ik was nog lang niet geboren, toen professor Biemond in 1953 een uitstekende lezing gaf over de afwijkingen van het centrale zenuwstelsel bij pernicieuze anemie. De lezing is nog terug te vinden in één van de uitgaven van de serie Het Hormoon, een serie die jarenlang is uitgegeven door de N.V. Organon, en zich wijdde aan alle aspecten van de klinische endocrinologie en stofwisselingsziekten. In de samenvatting van zijn lezing geeft hij een zeer goed leesbare en gedetailleerde beschrijving van de neurologische afwijkingen bij pernicieuze anemie en vitamine B12 tekort. De beschrijvingen zijn zo precies en welomschreven, dat je je afvraagt waarom deze kennis zo in het slop is geraakt de afgelopen decennia.

 

 

Symptomen

Een paar voorbeelden uit de tekst. Allereerst gaat Biemond uitgebreid in op de symptomen. Hij geeft hierbij aan dat klachten van neuropathie vaak centraal staan in de eerste fase van schade aan het zenuwstelsel door B12 tekort. “Paraesthesieën van wisselende intensiteit aan alle vier de extremiteiten. Zij ontbreken nimmer en gaan in de regel vooraf. Zij localiseren zich niet uitsluitend aan vingers en tenen, doch aan handen, voeten en onderbenen, eventueel aan de extremiteiten in hun geheel. Ofschoon zij door de patiënten op verschillende wijzen worden omschreven, overheerst toch de sensatie van doofheid en van het gevoel, dat de huid over bepaalde gebieden door een laagje stof (of vilt of gips) is bekleed. In deze vorm hebben de paraesthesieën stellig een belangrijke diagnostische betekenis. Zij vormen het eerste teken, dat de achterstrengen van het ruggemerg niet normaal meer functioneren. “

Over het al dan niet samengaan met anemie schrijft hij: “Er kan zich een typische gecombineerde strengziekte ontwikkelen, wanneer het bloedbeeld nog nauwelijks of in het geheel geen tekenen van anaemie vertoont. De pernicieuze anaemie is dan nog slechts in latente vorm aanwezig, doch wel pleegt regelmatig achylia gastrica, die histamine-refractair is, te worden gevonden.”

Hierover vervolgt hij: “De in de kliniek zo veelvuldig voorkomende discongruentie tussen anaemie en ruggemergsdegeneratie bij éénzelfde grondoorzaak heeft geleid tot de invoering van de begrippen “haematopoietine” en “neuropoietine” ….” Hierbij “moet in het bijzonder het werk van CASTLE worden vermeld, die in 1929 de begrippen “intrinsic” en “extrinsic factor” invoerde, waarvan de eerstgenoemde in het normale maagsap in voldoende mate aanwezig is. Door de onderzoekingen der laatste jaren is thans wel komen vast te staan, dat de extrinsic factor identiek is met vitamine B12 en dat deze stof, na binding met de intrinsic factor, op bloedbeeld en centraal zenuwstelsel op gelijke wijze uitwerkt en dus zowel “haematopoetisch” als “neuropoetisch” is.”

 

Met andere woorden, wat hij hierbij duidelijk uitlegt, is dat vitamine B12 tekort bij de één leidt tot neurologische klachten, en bij de ander tot bloedarmoede. Hierbij moeten we aantekenen dat om meerdere redenen het klinisch beeld van pernicieuze anemie de afgelopen decennia is veranderd, zowel door vroegere diagnostiek als door veranderingen van bv. voedingsgewoonten. Tegenwoordig wordt bloedarmoede bij minder dan 20% van de mensen met pernicieuze anemie gevonden. Waarom dat precies is, weten we niet heel goed, maar er zijn diverse mechanismen die mogelijk een rol spelen. Eén ervan is de inname van foliumzuur. In de jaren 50 van de vorige eeuw waren B12 injecties nog niet breed beschikbaar, en werden nogal wat mensen met bloedarmoede bij pernicieuze anemie behandeld met foliumzuur. Dit was heel effectief in het corrigeren van de bloedarmoede, maar leidde bij veel mensen tot het ontstaan of verergeren van klachten van neuropathie. Deze behandeling is daarom weer snel verlaten toen voldoende B12 in injectievorm beschikbaar kwam. Een jaar of 20 a 25 geleden zijn een aantal landen, waaronder de Verenigde Staten, overgegaan op het toevoegen van foliumzuur aan diverse voedingsmiddelen. Foliumzuurtekort is hierdoor uitgebannen, bijna iedereen in de VS heeft een normale folaat hoeveelheid in zijn of haar lichaam. Het is goed mogelijk dat juist hierdoor, bij iemand die B12 tekort ontwikkelt, bloedarmoede veel minder vaak ontstaat, maar neuropathie en neurologische klachten juist vaker. Een andere factor is oxidatieve stress. Google beschrijft het als volgt: “Oxidatieve stress is een chronische toestand van verhoogde vrije radicalen en verminderde antioxidantverdediging, die (onder andere) nauw verbonden is met obesitas. Vetweefsel bij obesitas werkt disfunctioneel, wat leidt tot ontstekingen, zuurstoftekort en verhoogde vetzuren. Dit proces beschadigt cellen, draagt bij aan insulineresistentie en verhoogt het risico op hart- en vaatziekten en diabetes.

 

Behandeling

Ook over de behandeling is professor Biemond zeer duidelijk: “Zodra ontdekt was, dat leverpreparaten, liefst in injiceerbare vorm toegepast, een specifiek genezende invloed op de pernicieuze anaemie uitoefenden, werd ook de behandeling van de gecombineerde strengziekte met kracht ter hand genomen. Aanvankelijk waren de resultaten teleurstellend. Weliswaar kon de progressie van het neurologische beeld. worden gestuit en ook hier en daar vooral subjectieve verbetering worden bericht, doch er bleef een scherp contrast bestaan tussen het verrassende haematologische en het geringe neurologische resultaat. Beter werd de toestand, toen men voor het ruggemergslijden een belangrijk hogere leverdosis ging toepassen …… Sinds echter de laatste jaren het vitamine B12 is ontdekt, zijn de resultaten nog meer verbeterd, vooral wanneer de diagnose in een vroeg stadium wordt gesteld. Dan kan ongetwijfeld in vele gevallen een complete genezing worden bereikt. ….. Men passe dus thans dagelijkse intramusculaire injecties van B12 (15 gamma per ampul) toe, welke behandeling weken lang dient te worden voortgezet. …. Na afsluiten der behandeling is het noodzakelijk, dat bloedbeeld en voedingstoestand van het ruggemerg op peil worden gehouden door één injectie per week te blijven doorgeven. Dit moet steeds worden volgehouden, daar anders recidief mogelijk is. Maakt de patiënt een intercurrente ziekte of een periode van extra vermoeienis door, dan moet het aantal injecties tijdelijk worden verhoogd.”

Tot zover enkele citaten uit de lezing van professor Biemond.

 

Switch

Veel mensen hebben de afgelopen jaren ervaren dat hun neurologische klachten geweldig toenamen nadat zij -min of meer gedwongen- moesten overstappen van B12 injecties naar tabletten. Ten tijde van professor Biemond waren orale B12 preparaten niet beschikbaar, anders dan in de vorm van rauwe lever. Nu koop je een potje B12 tabletjes bij een drogist, maar er is geen enkel bewijs dat bij mensen met neurologische klachten, orale B12 suppletie even goed helpt als intramusculaire injecties. De observaties van Biemond waren heel duidelijk, lees maar wat hij schrijft over de behandeling: voor adequate behandeling van mensen met neurologische klachten zijn veel hogere doseringen van B12 nodig dan voor de behandeling van de bloedarmoede! En dit komt bijvoorbeeld terug in de bijsluiter van goed gedocumenteerde B12-preparaten. De volgende afbeelding is een deel van de tekst van de bijsluiter van Erycytol, een injecteerbaar vitamine B12 preparaat dat op de markt is in o.a. Oostenrijk.

 

Het is momenteel breed geaccepteerd dat de behandeling van mensen met B12 malabsorptie per definitie bestaat uit behandeling met intramusculaire B12 injecties. Deze injecties worden in principe levenslang voortgezet. Deze ‘best practice’ is enkele jaren geleden door de Engelse organisatie NICE nog eens uitgebreid samengevat, en kunt u hier nalezen: https://www.nice.org.uk/guidance/ng239

 

De frequentie van de B12 injecties op de lange termijn wordt dan bepaald op basis van anamnese, en staat onder regie van de persoon met B12 tekort zelf: klachten dienen te verdwijnen en weg te blijven. In de regel komen mensen uit op een frequentie variërend van 1 a 2x per week tot 1x per 4 a 5 weken. De frequentie van B12 injecties wordt NIET gebaseerd op bloedbepalingen. Hierbij dient te worden aangetekend dat bij mensen met een ernstige deficiëntie of een langdurig onbehandelde deficiëntie vaak (vooral cognitieve) restklachten blijven bestaan. Een survey onder meer dan 1000 leden van de Engelse Pernicious Anaemia Society leerde dat 30% van hen éénmaal per week of vaker B12 injecteert om de klachten te bestrijden.

 

Engelse experts beschrijven dit als in een recent artikel als  volgt:

The guidelines’ emphasis on a symptom-based approach to treatment is an urgent and necessary shift that could positively influence current practice. They also stress the importance of individualised care, suggesting that B12 replacement dosage, frequency, and delivery method may need to be tailored to ensure treatment efficacy. However, many patients require treatment more frequently than current guidelines suggest. Survey data indicates that up to 50% of patients require more frequent injections to manage their symptoms effectively (Thain et al., 2024, DOI: 10.1101/2024.08.30.24312837). This is consistent with findings from Hooper et al., where 65% of patients received B12 injections according to current guidelines (every 2–3 months) [4]. Further qualitative evidence from interviews also highlights that many PA patients considered the current guidelines too restrictive, with symptoms reoccurring well before the next planned injection [24]. Bron: https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/39984701/

 

 

Genetic risk for metformin-associated B12 deficiency

Scientists have identified the first DNA variant associated with a higher risk of developing B12 deficiency when a person is treated with metformin.

The analysis, which was done by the authors, identified a genome-wide non-synonymous SNP in the cubilin gene (CUBN, rs1801222/p.S253F), which was significantly associated with metformin-induced vitamin B12 deficiency. This finding was replicated in three Scottish cohorts, in the Diabetes Prevention Program Outcomes Study (DPPOS) cohort, and in a small clinical cohort from Liverpool. Vitamin B12 deficiency occurred in 0.84–1.20% of individuals who were not exposed to metformin regardless of their rs1801222 genotype. However, a large interaction with metformin use was observed, with vitamin B12 deficiency developing at 6.02% in GG, 7.96% in GA and 12.84% in AA genotype groups.

Co-author Ewan Pearson: “The 14% of white population with AA genotype are 2.5 times more likely to require B12 replacement GG. Equates to 10% requiring B12 replacement by 11 years after starting metformin with AA genotype vs 21 years for GG. A large effect!

It should be noted that the primary analysis was conducted among participants in the UK Biobank. Individuals were identified with a diagnosis of vitamin B12 deficiency and/or a record of B12 injection prescriptions, and metformin use was extensively documented. However, clinical diagnosis of B12 deficiency is often only done on the basis of abnormal B12 measurements, and -for instance- measurements of methylmalonic acid are rarely done. Furthermore, people who are using (multi)vitamin supplementation may not so easily be recognized as truly B12-deficient. So, the incidence of B12 deficiency may be higher than reported in the paper. Nevertheless, this is great work in the beautiful dataset of UK Biobank, and confirmed in other cohorts, such as Generation Scotland, GoDARTS, and SHARE, and DPPOS. Researchers are eagerly awaiting the time when UK Biobank data will also be enriched with serum B12, MMA, and homocysteine measurements for all participants.

Full source: https://link.springer.com/article/10.1007/s00125-025-06655-5

 

Artificial

In sommige discussiegroepen waar ik aan deelneem, komen soms hele lappen tekst voorbij, omdat één van de deelnemers aan ChatGPT een vraag heeft gesteld. Bijzonder is dat dit soort teksten nooit enige kritische reactie opleveren, en in de regel voor zoete koek worden aangenomen. Terwijl ook een AI systeem de plank ernstig mis kan slaan. Of bewust door zijn creatoren onjuist wordt geprogrammeerd.

Een paar voorvallen brachten mij er toe om een aantal AI systemen de zelfde vraag voor te leggen over de behandeling van pernicieuze anemie. Eén van die voorvallen was de volgende:
Dr. X. weigerde begin 2025 de B12 injecties voort te zetten bij een vrouw van midden 50, die al langer bekend was met auto-immuun gastritis, en die klachten had van pijnlijke neuropathie in de benen en voeten. Deze klachten waren nagenoeg geheel verdwenen door behandeling met frequente B12 injecties (2x per week 1000 mcg). De vrouw injecteerde zichzelf op dat moment 1x per 1.5 – 2 weken in de spier met hydroxocobalamine om klachtenvrij te blijven.

Een artikel in 2014 in het blad Huisarts & Wetenschap beschreef duidelijk dat tijdens B12 injectie behandeling de serum B12 waarde niet gecontroleerd dient te worden, omdat deze hoog hoort te zijn. Blijkbaar had dr. X. dit niet gelezen, want deze liet de B12 waarde wél controleren, en omdat die boven de 1476 pmol/l was (de bovengrens van de meetmethode) moest de onfortuinlijke vrouw haar B12 injecties direct staken.

De vraag die ik stelde aan de diverse AI systemen, was:
“A 50-year-old woman with pernicious anaemia is treated with a 1000 mcg B12 injection every two weeks, and due to this treatment, she is free of symptoms. How often should a doctor measure her serum B12 concentration?”

De antwoorden die deze vraag opleverde, en het volledige blog, vindt U hier:
https://pernicious-anaemia-society.org/blog/artificial-but-not-intelligent-asking-the-simplest-question/

 

Is bamboo good for you?

You may be selective in what you eat during the holidays. Some animals are less inclusive. For instance, this rat species mainly eats bamboo. An interesting study on diet and cardiovascular risk. This study explored the effects of vitamin B12 (VB12) supplementation on cardiovascular health in the silver star bamboo rat, a species that primarily feeds on bamboo. Bamboo-eating species like bamboo rats, giant pandas, and red pandas are at risk of VB12 deficiency, which can lead to elevated homocysteine levels and increased cardiovascular disease (CVD) risk.

The researchers first conducted a genome annotation of the bamboo rat to enable evolutionary studies. Comparative transcriptomics revealed that bamboo rats had upregulated genes associated with CVD, indicating higher disease risk compared to carnivorous and omnivorous rodents.

After 60 days of VB12 supplementation, liver transcriptome analysis showed significant improvements in cardiovascular health markers. VB12 led to reduced cholesterol synthesis, enhanced fatty acid metabolism, decreased homocysteine levels, lower LDL-to-HDL ratios, and increased apolipoprotein A-to-apolipoprotein B ratios. These findings suggest that VB12 supplementation can help mitigate CVD risk in bamboo-eating species.

On a related note:
One of the phenomena that is often observed around the holiday season is the rise in cardiovascular-based mortality, commonly referred to as the “Christmas Holiday Effect.” This trend has been observed in the United States and worldwide, including Norway, Sweden, Canada, and Denmark. Despite the festive spirit that surrounds this time of year, research consistently shows that cardiovascular deaths spike between late December and early January.

The numbers are striking. A 2016 study published in the Journal of the American Heart Association found that cardiac events increased by 4.2% between December 25 and January 7. One of the earliest hypotheses was that the colder weather experienced in the northern hemisphere during this period might be a major contributor. However, researchers found the same effect in New Zealand, a country experiencing summer during this time. This indicates that other factors beyond climate are at play.
Source: https://www.elliothospital.org/about-us/newsroom/news/holiday-heart-attack-phenomenon-and-how-avoid-it

What will you do to mitigate Christmas-dinner-associated cardiovascular risk?

This blog appeared in CluB-12’s December 2025 Newsletter.

VitB12 en cognitieve achteruitgang

De laatste paar jaar zien we steeds meer onderzoekingen naar de relatie tussen vitamine B12 en cognitief functioneren op oudere leeftijd. Onderstaande artikel beschrijft een heel mooi en gedegen onderzoek op dit gebied.

 

Dit artikel van Francesca Marino en collega’s beschrijft een groot onderzoek naar de rol van vitamine B12 in het behoud van cognitieve functies (zoals geheugen, taal en plannen) bij oudere mensen. De onderzoekers wilden weten of mensen die vanaf middelbare leeftijd tot op oudere leeftijd een betere vitamine B12-status hebben, minder snel achteruitgaan in hun denken en geheugen dan mensen met een lage B12-status.
Mede-auteurs Josh Miller en Jacob Selhub zijn bekende onderzoekers op het gebied van de B12 stofwisseling, en o.a. lid van CluB-12 (https://www.club-12.org).

De bevolking veroudert en dementie komt steeds vaker voor. Hoewel dementie niet te genezen is, weten we dat sommige (leefstijl)factoren de kans op cognitieve achteruitgang kunnen beïnvloeden. Eerder onderzoek naar de relatie tussen B12 en cognitief functioneren leverde tegenstrijdige resultaten op. Een belangrijk probleem is dat veel studies B12 slechts één keer meten, of alleen vragen naar voeding, wat onnauwkeurig kan zijn. Ook de bloedwaarde van B12 geeft niet altijd een goed beeld: iemand kan een “normale” B12 hebben terwijl de cellen toch te weinig B12 krijgen of kunnen opnemen uit het bloed. Daarom gebruikten de onderzoekers in dit onderzoek een combinatie-indicator, de 3cB12 indicator, die drie biomarkers samenvoegt: vitamine B12, methylmalonzuur (MMA) en homocysteïne (Hcy). Ook al weten we dat bij B12 tekort de biomarkers MMA en Hcy niet altijd verhoogd zijn, toch geeft dit een veel betrouwbaarder beeld van de balans in de B12 stofwisseling.

(meer…)

AGRP in IAH

The title of this blog contains two abbreviations, but important ones. IAH is impaired awareness of hypoglycaemia, and AGRP (or AgRP) is agouti-related protein. They are central in a paper just published by my talented colleague, Dr. Rita Varkevisser.

Learn how she summarizes the importance of this paper:

A compelling finding of this study was the association between agouti-related protein (AgRP) and impaired awareness of hypoglycaemia. AgRP is an important neuropeptide in energy homeostasis and is expressed in the adrenal gland and hypothalamus, specifically in the arcuate nucleus (ARC) and ventral hypothalamic nucleus (VMH) where central glucose sensing occurs. These glucose-sensing neurons in the ARC can influence glucose homeostasis through the activation of the autonomic nervous system and exert orexigenic effects through release of AgRP which inhibits MC4R neurons that stimulates food intake. The lower circulating plasma AgRP in individuals with IAH could suggest that these individuals could be less responsive to lower glucose levels. This may be due to threshold changes in the glucose-sensing neurons in the ARC and less hypothalamic-pituitary-adrenal (HPA) activation leading to less AgRP release from neuroendocrine cells in the adrenal medulla.

Another mechanism that may reduce AgRP release is the inhibition by other hormones such as insulin and leptin. Higher circulating levels of insulin usually leads to a reduction in appetite. In some individuals, hypothalamic insulin resistance may lead to increased food consumption despite higher circulating insulin levels. As a consequence of this insulin resistance, these individuals may be protected from hypoglycaemia, as the appetite suppression that would normally occur is no longer present. Although it is not yet clear how recurrent hypoglycaemia can influence glucose sensing and ARC/VMH mediated counterregulatory responses, further research into AgRP may help to elucidate the pathophysiology of IAH.

The mechanisms which dr. Varkevisser summarizers to play a role in IAH, are shown in this figure:

Dr. Varkevisser successfully defended her scientific thesis in November 2024. The full thesis with all her articles can be found on the University of Groningen website: https://research.rug.nl/en/publications/a-balancing-act-navigating-cardiovascular-vigilance-and-hypoglyca

 

De AGE-reader

 

John Mulder, CEO of Diagnoptics: “Mid September, a Dutch national newspaper devoted a full-page article to biological age and AGEs. It’s striking to see how a topic that once lived only in research papers and specialist discussions is now reaching a much wider audience.

Public awareness of biological age is clearly growing, not only among scientists and clinicians, but also within society at large. This raises an important question for all of us in the medical field: how do we translate this momentum into clinical practice?

AGEs remain underexplored in everyday healthcare. Yet early findings already suggest they can add value in prevention, patient engagement, and even perioperative decision-making. For me, this underscores the importance of bridging science and practice, ensuring that what we measure can truly drive better care.

Bron: LinkedIn

(meer…)

Oprichting NVDO (1974)

In 1974 werd de Nederlandse Vereniging voor Diabetes Onderzoek (NVDO) opgericht. De oprichtingsvergadering vond plaats op 16 november 1974, zo’n 51 jaar geleden, in het Beatrixgebouw te Utrecht. Het programma van deze feestelijke eerste vergadering staat hierboven.

De NVDO (www.nvdo.online) is een multidisciplinaire vereniging van (basale) wetenschappers, artsen (kinderartsen, internisten, huisartsen), en medisch psychologen die onderzoek doen naar het ziektebeeld diabetes mellitus of een speciale affiniteit hebben met diabetes mellitus.
Het doel van de NVDO is het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van het ziektebeeld diabetes mellitus en de toepassing van hierbij verkregen resultaten in de klinische praktijk. Daarnaast wordt uitwisseling van kennis en expertise tussen leden die werkzaam zijn binnen de verschillende disciplines van diabetes mellitus onderzoek gefaciliteerd.

Het eerste bestuur bestond uit onderzoekers en clinici, die in die periode (midden jaren ’70 van de vorige eeuw) actief waren in de zorg voor en begeleiding van mensen met diabetes:
Paul R. Bouman, Groningen (voorzitter)
Janke Terpstra, Leiden (secretaris)
Frits Gerritzen, Wassenaar (penningmeester)
Wepco Reitsma, Groningen (vice-voorzitter)
Ab van ’t Laar, Nijmegen (lid)

In januari 1975 werden door de voorzitter en de secretaris via een officiëel ‘request’ de statuten van de vereniging ter goedkeuring voorgelegd (figuur 2) aan Hare Majesteit de Koningin, Koningin Juliana.

 

Twee van de oprichters leven dóór in de vereniging, via een specifieke prijs (bron: https://www.nvdo.online/awards/).

Dr. Gerritzen via een prijs die naar zijn vader is vernoemd:

De dr. F. Gerritzen-prijs is een initiatief van Sanofi en wordt jaarlijks toegekend aan een recent gepromoveerde onderzoeker die klinisch onderzoek heeft gedaan op het gebied van diabetes mellitus. De prijs bestaat uit de bronzen dr. F. Gerritzen-penning, een oorkonde en vijfduizend euro voor de winnaar en vijfhonderd euro voor de overige genomineerden. De uitreiking vindt plaats tijdens de wetenschappelijke vergadering voor Diabetes Onderzoek (NVDO).

 

Daarnaast bestaat de prof.dr.J.Terpstra Award.

De hoofddoelstelling van deze prijs is het stimuleren van jonge onderzoekers die onderzoek verrichten op het gebied van diabetes mellitus. Het winnende voorstel moet een briljant innovatief onderzoeksvoorstel zijn dat een heldere hypothese kent en zal leiden tot resultaten die relevant zijn voor -en toepasbaar voor – mensen met (een hoog risico op) diabetes mellitus. Een begroting op hoofdlijnen moet deel uitmaken van dit voorstel. De Prof. dr. J. Terpstra Young Investigator Award bedraagt 10.000,- Euro. Dit bedrag dient volledig te worden besteed aan het onderzoek zoals dat in het ingediende voorstel is beschreven. De Prof. dr. J. Terpstra Young Investigator Award wordt mogelijk gemaakt door het Diabetes Fonds.

 

 

Jubileumsymposium NVDO (1999)

In november 1999 vond ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de NVDO, de Nederlandse Vereniging voor Diabetes Onderzoek, een fantastisch symposium plaats. Onderaan deze post vindt u een pdf van het jubileum boekje.

In dit jubileum boekje o.a. informatie over de stichting van de NVDO, doelstelling, oprichtingsakte, en het programma van de oprichtingsvergadering op 16 november 1974 in Utrecht, naast natuurlijk de samenvattingen van de voordrachten van de sprekers van die dag.

 

Het jubileum symposium van 1999 kende een bijzondere opzet. Er was -zoals in de inleiding valt te lezen- voor gekozen om sleutelpersonen uit de academische klinieken een voordracht te laten houden, waarin een overzicht werd gegeven van de belangrijkste vorderingen binnen het wetenschappelijk onderzoek en de diabeteszorg, waaraan door de betreffende universiteit was bijgedragen. Het NVDO bestuur hoopte daarmee de profilering van het Nederlandse wetenschappelijk onderzoek, dat vaak van een zeer hoog gehalte was en nog steeds is, verder te stimuleren. Daarnaast was men er in geslaagd om 2 uitmuntende buitenlandse onderzoekers naar Nederland te halen, Kristian Hanssen en Fran Kaiser, die vanuit hun eigen expertise en wetenschappelijke inspanningen de belangrijkste vorderingen op het gebied van diabetes onderzoek hebben toegelicht.

Het programma was als volgt:

Rotterdam – Diabetes onderzoek in Rotterdam
Dr. H.J. Aanstoot
Amsterdam – VU – Diabetes- epidemiologie: richting gevend voor het fundamenteel onderzoek en het zorgbeleid.
Prof. Dr. R.J. Heine
Groningen – Pancreas- en eilandjestransplantatie
Prof. Dr. R. van Schilfgaarde
Nijmegen – Heparan sulfate alterations in diabetic nephropathy
Dr.J. Berden
Utrecht – Cerebrale dysfunctie in diabetes mellitus
Prof. Dr. W.H. Gispen
Maastricht – The relationship between hyperglycaemia and cardiovascular disease – pathophysiology and pharmacologic intervention
Dr. B. H. R. Wolffenbuttel
Leiden – De groeiende complexiteit van insulineresistentie en type 2 diabetes mellitus
Mw. Dr. D.M. Ouwens
Amsterdam – AMC – Diabeteseducatie: wiens zorg en verantwoordelijkheid?
Dr. R.J. Michels

Oslo, Norway – A long term perspective on the Oslo Study – relationship to biochemical markers of complications
Prof. Dr. K.R Hanssen

Irving, Texas, USA – Erectile dysfunction
Dr. F.E. Kaiser

Het was een gedenkwaardig en zeer succesvol symposium !!!

Download HIER het jubileumboekje.

 

Dieet-kookboek voor suikerzieken (1935)

Zo’n 90 jaar geleden bracht uitgevers-maatschappij Kosmos het Dieet-kookboek voor suikerzieken uit.

 

Een handzaam boekje vol tabellen en recepten. Tabellen met het koolhydraat- en eiwitgehalte van gerechten.
Recepten voor verantwoorde gerechten voor mensen met diabetes, en wel de variant die we nu type 1 diabetes noemen.
Van bloemkool- en spinaziesoep, tot toespijzen van aardbeiendparfait tot vanillevla en vruchtenvla, en enkele cocktails.

 

Je wordt vrolijk van de cokcktails die op blz 53 zijn beschreven, bv de Turfclub: 20 c.c. Rhum, 40 c.c. Cognac, paar dr. Angustora (een kruidenbitter).

Er was zelfs een lijst van voedingsmiddelen met hun vermoede gehalte aan A, B, C, D en E vitamine. Met nog bar weinig onderscheid tussen de B vitamines, bv vitamine B12 was nog niet ontdekt.
Acht a negen jaar eerder, in 1926, was de zogenaamde “antipernicieuze factor” ontdekt door George Minot en William Murphy. De bron was de lever, de basis voor de behandeling van mensen met B12 tekort in de jaren 30 en 40. Pas in 1948 werd vitamine B12 als aparte stof geïsoleerd.

Het voorwoord van het boek werd geschreven door dr. Jac. J. de Jong, die terecht stilstond bij de immense landverschuiving die was opgetreden door het beschikbaar komen van insuline, als behandeling van type 1 diabetes, vanaf 1922.
Twee citaten: