IJzer-1

Door het werk van o.a. de internist Hilde Royen (Zwolle) en hematoloog Marlijn Hoeks (Nijmegen) is er steeds meer aandacht voor het vaak over het hoofd geziene probleem van ijzertekort. Zij hebben vastgesteld dat de ‘normaalwaarden’ voor vrouwen veel te laag liggen. Een recent NRC-artikel ging hierop in, daarover in een volgend blog meer.

Tijd voor wat praktijkervaringen over ijzer, omdat de kennis hierover soms desastreus beperkt is.

 

 

Maart 2026
Een vrouw komt bij de dokter in verband met ijzertekort. De serum ferritine waarde is 10, normaal boven de 50. Er zijn buikpijn- en diarreeklachten, die er mogelijk op wijzen dat deze dame coeliakie (glutenintolerantie, een autoimmuun ziekte) heeft.
Zij krijgt het volgende advies:
Ga de komende 6 weken ferrofumaraat gebruiken, 3x per week een tablet van 200mg, daarna doen we een lab controle om te kijken of het gestegen is, en vragen we ook onderzoek naar coeliakie aan.

Wat zegt dr. Google (en onze “common sense”)?
Vraag: wordt orale ijzersuppletie goed opgenomen bij onbehandelde coeliakie?
Antwoord (AI-overzicht):
Nee, bij onbehandelde coeliakie wordt orale ijzersuppletie doorgaans niet goed opgenomen. De beschadiging van de dunne darm (vlokatrofie) zorgt voor ernstige malabsorptie. Hierdoor kunnen voedingsstoffen, waaronder ijzer, onvoldoende worden opgenomen uit zowel voeding als ijzerpillen. De belangrijkste punten op een rij:
* Beschadigd slijmvlies: IJzer wordt vooral in het eerste deel van de dunne darm (twaalfvingerige darm) opgenomen. Juist dit deel is bij onbehandelde coeliakie beschadigd.
* Effect van de behandeling: Pas wanneer strikt een glutenvrij dieet wordt gevolgd, herstelt het darmslijmvlies. Hierna verbetert de opname van ijzer aanzienlijk.
* Alternatieven: Als de ijzerwaarden ondanks een glutenvrij dieet te laag blijven, of als er sprake is van ernstige bloedarmoede tijdens de darmgenezing, kan de arts intraveneuze ijzertherapie (via een infuus) overwegen om de voorraden direct aan te vullen.

Wat zeggen de officiële NL richtlijnen?
Het is te verwachten dat bij herstel van vlokatrofie en het verdwijnen van inflammatie door het volgen van een glutenvrij dieet de deficiënties die ontstaan zijn door malabsorptie over het algemeen zullen herstellen bij patiënten met coeliakie. Het betreft hier voornamelijk ijzergebrek en foliumzuurdeficiëntie (Kreutz, 2020; Saibeni, 2005; Wessels, 2016). Het herstel van een ijzergebrek kan lang duren (Annibale, 2001; Stefanelli, 2020).
Bron: https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/coeliakie_en_glutengerelateerde_aandoeningen/behandeling_glutenvrij_dieet/vitaminen-_en_mineralendefici_nties_tijdens_gvd.html

IJzersuppletie voorschrijven aan iemand met een mogelijke coeliakie is dus niet verstandig; de kans op bijwerkingen is groter dan de kans dat het ijzer in het lichaam wordt opgenomen. Eerst een juiste diagnose, en bij bewezen coeliakie starten met een glutenvrij dieet! Daarna kun je beginnen het ijzertekort aan te vullen.

Mooie bron om te horen over de ins en outs van coeliakie: Medische Publieksacademie UMCG – Glutenintolerantie: https://www.youtube.com/watch?v=Gzdd-9F5ltY

 

 

Altmetric

Altmetric: een moderne manier om de impact van wetenschappelijk onderzoek te meten.

 

 

Stel je voor: je bent arts of wetenschapper en je publiceert een artikel over een nieuw medicijn of een klimaatmodel. Traditioneel meet je succes aan de hand van citaties in andere wetenschappelijke artikelen – hoe vaak anderen je werk aanhalen. Maar dat duurt jaren en zegt weinig over wat er buiten de academische wereld gebeurt. Hoe weet je of journalisten erover schrijven, of het op sociale media besproken wordt, of hoe en wanneer beleidsmakers het gebruiken? Hier komt Altmetric om de hoek kijken. Dit programma, gebaseerd op altmetrics (alternatieve meetmethoden), volgt de online aandacht voor iemand’s onderzoek en geeft een breder beeld van de impact.

Altmetric is een systeem dat automatisch data verzamelt uit tientallen bronnen op internet. Denk aan sociale media zoals Twitter, BlueSky en Facebook, waar mensen je artikel delen of bespreken. Het haalt ook info van kranten als The Guardian of New Scientist, blogs van onderzoekers of organisaties zoals Cancer Research UK, en tools als Mendeley waar wetenschappers artikelen opslaan en aanbevelen. Zelfs niet-Engelstalige media en beleidsdocumenten worden meegenomen. Het slimme is dat Altmetric ‘linkt’ herkent: een tweet over een samenvatting van een wetenschappelijk artikel op PubMed, een krantenartikel via de uitgever en een blog – allemaal over hetzelfde artikel – worden samengevoegd tot één overzicht.

Het hart van Altmetric is de zogenaamde Altmetric Attention Score, een getal in een kleurrijke ‘donut’ of badge die je vaak ziet bij artikelen op websites van tijdschriften. Deze score vat de hoeveelheid en kwaliteit van de aandacht samen. Een algoritme berekent het door factoren mee te wegen zoals het bereik van de bron (een tweet van een beroemde professor telt zwaarder dan een random post), de taal, en of het positief of negatief is. Het is geen perfecte wetenschap – het is een momentopname die continu update – maar het geeft snel inzicht in hoe je werk resoneert.

 

Een voorbeeld, aan de hand van één van onze artikelen:

 

Voor wetenschappers biedt dit enorme voordelen, vooral in een tijd waarin ‘open science’ en maatschappelijke relevantie steeds belangrijker worden. Traditionele metrics zoals de Journal Impact Factor (JIF $) berekenen vooral citaties in topbladen en negeren boeken, blogs of praktijkimpact. Altmetrics corrigeren dat: ze tonen niet alleen berichten over een artikel, maar ook hoe je onderzoek de samenleving raakt – via nieuws, beleid of publiek debat. Bijvoorbeeld: scoort je artikel hoog op Twitter? Dan bereikt het veel niet-wetenschappers, mensen van patiënten organisaties, en misschien ook policymakers. Er zijn steeds meer mensen die bijvoorbeeld preprint-servers (websites waar artikelen worden verzameld / gedeponeerd die nog niet door reviewers beoordeeld en gepubliceerd zijn) volgen en screenen wanneer weer een artikel wordt gepubliceerd over hun favoriete onderwerp. Wordt het genoemd in een rapport? Dat wijst op praktische toepassing.

Met de gratis Altmetric-bookmarklet (een browser-extensie) check je direct de score van elk artikel via DOI * of PMID **. Instellingen zoals universiteiten hebben vaak toegang tot Altmetric Explorer for Institutions (EFI), een dashboard waar je zoekt op auteur, afdeling of groep. Zo zie je welke papers van jouw groep het meest besproken worden, inclusief sentimentanalyse (positief/negatief) en demografische details over wie erover praat. Handig voor grant-aanvragen: “Kijk, ons werk werd opgepikt door 50 media en 200 tweets!” Het helpt ook om trends te spotten, zoals groeiende aandacht over de tijd, en om te netwerken met wie je werk deelt.

 

$ JIF: De Journal Impact Factor (JIF), ook wel impactfactor genoemd, is een maat die de gemiddelde citatiefrequentie van artikelen in een wetenschappelijk tijdschrift aangeeft. Hoe hoger de JIF, hoe vaker artikelen uit dit tijdschrift geciteerd worden door andere onderzoekers.
* DOI: een Digital Object Identifier (DOI) is een unieke, permanente alfanumerieke code die wordt toegewezen aan digitale objecten, zoals wetenschappelijke artikelen, datasets en rapporten. Het functioneert als een “digitale vingerafdruk” die zorgt voor duurzame vindbaarheid en citeerbaarheid.
** PMID: een PMID (PubMed Identifier) is een uniek nummer dat door de National Library of Medicine (NLM) in de VS wordt toegewezen aan elk artikel in de PubMed-database (https://https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/). Met dit unieke nummer kun je wetenschappelijke biomedische publicaties snel en accuraat terugvinden, zonder de volledige titel of auteursnaam nodig te hebben.

 

Maar die sentiment analyse, die blijkt vaak niet te kloppen. Althans, ik bekeek dit voor enkele negatieve “beoordelingen” door Altmetric. In meerdere gevallen werd de referentie naar één van mijn publicaties, gebruikt om een bewering van iemand te ontzenuwen, als negatief beoordeeld. Ook hier een voorbeeld: ons NHANES-artikel krijgt een negatieve beoordeling van Altmetric op basis van deze tweets. Onbegrijpelijk.:

Altmetric geeft daarom terecht een uitgebreide disclaimer:
“This feature uses AI to assign sentiment scoring to posts that mention research. Although the quality of AI outputs is often high, they may contain incorrect information. The validity of the output should be verified by reviewing the referenced documents.”

Het is mogelijk om een negatieve beoordeling van een kanttekening te voorzien, maar het is mij volstrekt onduidelijk wat Altmetric precies met deze feedback doet.

 

Altmetric is een aanvulling, geen vervanging voor citaties. Het is vluchtig – een hype op social media kan morgen weg zijn – en niet altijd betrouwbaar voor evaluaties. Experts waarschuwen: gebruik het kwalitatief, naast expert-oordeel, zoals in het Leiden Manifesto voor onderzoekmetrics (https://www.leidenmanifesto.org/). Focus niet blind op getallen; ze ondersteunen verhalen over bereik en invloed. Desondanks transformeert het de wetenschap: het maakt impact meetbaar op het ‘sociale web’, waar onderzoek sneller leeft en breder landt.

 

Samenvattend, Altmetric helpt wetenschappers hun werk zichtbaarder te maken, en geeft inzichten in zaken als impact en relevantie. In een wereld waar wetenschapsfondsen en universiteiten steeds meer waarde hechten aan maatschappelijke impact, is dit veel waard. Het moedigt artsen en onderzoekers aan om gegevens en resultaten van wetenschappelijk onderzoek te delen, breed te communiceren en te laten zien dat wetenschap niet alleen in ivoren torens blijft, maar de hand reikt naar de echte wereld.

Links:
https://libguides.ru.nl/medisch/bibliometrie/
https://mindthegraph.com/blog/nl/altmetric/
https://library.maastrichtuniversity.nl/database/altmetrics/
https://uba.uva.nl/content/nieuws/2025/01/library-research-hack-altmetric-explorer.html?cb

 

 

Struma van Riedel

Als je op Wikipedia de naam Riedel opzoekt, kom je een drankenfabrikant en een fabrikant van wijnglazen tegen. Ook een Duitse voetballer, een discuswerper en een filosoof heten Riedel. Geen van hen is echter de naamgever van een bijzondere en zeldzame ontsteking van de schildklier, de Riedel’se thyreoiditis, ook wel het struma van Riedel genoemd. De website van SON verzuchtte al langer dat er heel weinig Nederlandstalige informatie over dit Riedel’s struma is. Bij deze ontsteking wordt erg veel bindweefsel in de schildklier geproduceerd, en ontstaat een hard struma.

Professor Riedel was hoofd van de Chirurgische Kliniek in Jena, en hij was in 1896 de eerste die publiceerde over deze bijzondere schildklierziekte, die hij als een ‘eisenharter Tumor’ beschreef.

 

ScreenHunter_03 Jan. 02 20.27

De oorspronkelijke beschrijving door dr. Riedel, in dit geval van de 2e persoon die hij in een periode van 12 jaar geopereerd heeft.

Zo’n 10-15 jaar geleden ging men zich realiseren dat deze ontsteking van de schildklier best wel eens verband zou kunnen houden met een aantal andere zeldzame aandoeningen, waarbij overmatige ophoping van bindweefsel een rol speelt. Bij één van deze aandoeningen is er sprake van overmatig bindweefsel in de buik, welke ziekte in 1905 als eerste werd beschreven door de in Parijs werkzame Cubaanse uroloog Albarran (Joaquín Maria Albarrán Y Dominguez, 1860-1912). Op de Franse versie van Wikipedia staat over hem een fraaie biografie (http://goo.gl/yOK6Bg). We weten nu dat deze bindweefselophopingen veroorzaakt worden door immuunantistoffen van de klasse IgG4, die door bepaalde bloedcellen worden gemaakt. Helaas, ook al is een deel van het ontstaan van deze aandoeningen nu opgehelderd, de werkelijke oorzaak, het waarom van deze ziekten, blijft nog steeds duister, evenmin als we weten wat de beste behandeling is.

Omdat deze aandoeningen zo zeldzaam zijn, schiet wetenschappelijk onderzoek naar oorzaak en behandeling niet erg op. Er is ook überhaupt weinig geld beschikbaar voor goed onderzoek naar zeldzame aandoeningen. Daarom blijft de Geneeskunde op vele vlakken achterlopen. Op Pubmed, de website met meer dan 3 miljoen wetenschappelijke publicaties, vind je maar enkele tientallen artikelen waarin iets zinnigs wordt gezegd over Riedel’s struma of Riedel’se thyreoiditis. Operatief ingrijpen en proberen zo de sterk vergrote schildklier te verwijderen kan door de vergroeiïngen van het bindweefsel met het omliggende weefsel in de hals tot ernstige complicaties leiden. Prednison (bijnierschorshormoon) wordt als behandeling genoemd, maar lang niet alle mensen reageren hier goed op. Omdat in één publicatie werd beschreven dat enkele personen succesvol waren behandeld met het middel tamoxifen, dat onder andere wordt gebruikt bij borstkanker, heb ik dit vanaf 2012 aan een vrouw met Riedel’s struma voorgeschreven. Zij had aanvankelijk een groot en heel hard struma, dat de luchtpijp flink verplaatste en vernauwde, en daardoor de ademhaling moeilijk maakte. Door de behandeling met tamoxifen is haar schildklier aanzienlijk geslonken, en de ademhaling is niet meer belemmerd. Gelukkig kunnen ook zeldzame aandoeningen soms effectief worden behandeld met medicijnen, die eigenlijk voor een heel ander doel zijn ontwikkeld.

 

Hieronder een completer stuk tekst van de voordracht van Riedel en enkele recente literatuurverwijzingen.

 

 

Enkele publicaties op PubMed:

Riedel’s thyroiditis: report of 7 patients and review of literature.
Caron P. Endocrine. 2024 Aug;85(2):811-816. doi: 10.1007/s12020-024-03853-w. Epub 2024 May 13.

Difficulties in investigating and treating fibrosing thyroid disorder (overlap of fibrosing variant of Hashimoto’s thyroiditis and Riedel’s thyroiditis).
Clifford LM, Joseph F. BMJ Case Rep. 2024 May 8;17(5):e258917. doi: 10.1136/bcr-2023-258917.

IgG4-related sclerosing thyroiditis (Riedel-Struma): a review of clinicopathological features and management.
Czarnywojtek A, Pietrończyk K, Thompson LDR, Triantafyllou A, Florek E, Sawicka-Gutaj N, Ruchała M, Płazinska MT, Nixon IJ, Shaha AR, Zafereo M, Randolph GW, Angelos P, Al Ghuzlan A, Agaimy A, Ferlito A. Virchows Arch. 2023 Aug;483(2):133-144. doi: 10.1007/s00428-023-03561-2. Epub 2023 May 19.

Long-Term Outcomes of Tamoxifen Citrate Therapy and Histo- and Immunopathological Properties in Riedel Thyroiditis.
Gökçay Canpolat A, Cinel M, Dizbay Sak S, Taşkaldıran I, Korkmaz H, Demir Ö, Ersoy R, Dağdelen S, Berker D, Dalva K, Bahçecioğlu Mutlu AB, Erdoğan MF. Eur Thyroid J. 2021 Jun;10(3):248-256. doi: 10.1159/000512017. Epub 2020 Dec 8.

A misdiagnosed Riedel’s thyroiditis successfully treated by thyroidectomy and tamoxifen.
Wang CJ, Wu TJ, Lee CT, Huang SM. J Formos Med Assoc. 2012 Dec;111(12):719-23. doi: 10.1016/j.jfma.2012.07.012. Epub 2012 Dec 14.

En op MedScape staat een mooie Engelstalige samenvatting: https://emedicine.medscape.com/article/125243-overview#a4

Een deel van dit blog verscheen eerder in het tijdschrift Schild, magazine van Schildklier Organisaties Nederland. 

 

Sukkel

De opmerking, die de dame maakte die tegenover mij in de spreekkamer zat, kwam blijkbaar uit de grond van haar hart. “Eigenlijk ben je maar een sukkel”, zo vond zij. Het gesprek ging over haar schildklier. Zij had al jaren hypothyreoïdie door de ziekte van Hashimoto, waarvoor zij aanvankelijk alleen Thyrax gebruikte. Omdat zij klachten bleef houden van vermoeidheid, spierklachten en slecht kunnen concentreren, was zij enkele jaren eerder er cytomel bij gaan gebruiken. Cytomel is een T3 preparaat. T3 is het actieve schildklierhormoon, en in ons lichaam wordt T4 eerst in T3 omgezet, voordat het onze stofwisseling kan reguleren. Bij gebruik van de combinatie van thyrax en cytomel voelde zij zich fitter en alerter. Haar nieuwe huisarts had echter geen ervaring met deze behandeling, en verwees haar naar een ziekenhuis in de buurt. De betreffende specialist, nota bene een endocrinoloog, vond het ‘dom’ (dit zijn patiënte’s eigen woorden) dat zij cytomel gebruikte, en oordeelde dat zij beter met alleen thyrax kon worden behandeld. Met tegenzin stopte zij de cytomel, en prompt kwamen een flink aantal klachten weer terug.
Vanwege dit probleem zat zij tegenover mij. Zij benadrukte mijn sukkeligheid, nadat ik haar had uitgelegd hoe weinig we nog maar weten over de voor- en nadelen van het gecombineerd gebruik van thyrax en cytomel. Cytomel is een relatief snelwerkend preparaat, met een piek in het bloed na zo’n 2.5 uur; sommige mensen merken dat aan bijwerkingen als bv. hartkloppingen.

T3 in de weefsels
Wat is nou de beste manier om de dosering van cytomel te controleren? Allereerst weten we niet of de waarde van T3 in het bloed een goede afspiegeling is van de hoeveelheid T3 in de diverse weefsels van ons lichaam. Onderzoek bij proefdieren, die schildklierhormoon kregen, toont dat er duidelijke verschillen zijn tussen T3 in het bloed en in de weefsels zoals het hart. Maar proefdieren reageren niet helemaal als mensen. Ratten die alleen thyroxine (T4) krijgen, hebben bijna altijd nog verhoogde TSH waarden.
Sommige dokters kijken inderdaad alleen naar de waarde van dit hypofysehormoon TSH. Omdat de TSH waarde een reactie is op de hoeveelheid T3 in de hypofyse klier, denkt men dat een normaal TSH gehalte in het bloed een afspiegeling van een normale hoeveelheid T3 aldaar. In Nederland ligt in de bevolking de gemiddelde TSH waarde rond de 2.0 mU/l, vrijT4 15 pmol/l, en vrijT3 4.8 pmol/l. We weten wel dat mensen die alleen thyrax gebruiken, en een normale TSH waarde hebben van rond de 2.0 mU/l, op dat moment een hóger vT4 en een lager vT3 gehalte in het bloed hebben dan mensen zonder schildklierproblemen.

Verlaagd TSH
Bovendien zal cytomel na inname snel de TSH waarde onderdrukken. Veel mensen die cytomel gebruiken hebben een normale vT3 spiegel in het bloed, een beetje afhankelijk van het moment van de dag waarop bloed geprikt wordt, maar wel een verlaagd TSH gehalte. En er zijn aanwijzingen dat een verlaagd TSH gepaard gaat met een grotere kans op hartklachten en botontkalking. Onderzoek in Groningen bij patiënten met schildklierkanker toonde aan dat mensen met TSH waarden, die lange tijd lager zijn dan 0.02 mU/l, een grotere kans hebben op hart- en vaatziekten (zie figuur 2). We weten niet of dat voor mensen met een te langzaam werkende schildklier (hypothyreoïdie) ook geldt.

(A) sterfte aan hart- en vaatziekten, en (B) totale sterfte bij patiënten met schildklierkanker, afhankelijk van hun gemiddelde TSH waarde. TSH categorie 1, TSH lager dan 0.02 mU/L; categorie 2, TSH tussen 0.02 en 0.2 mU/L; en categorie 3, TSH boven de 0.2 mU/L. De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 49 jaar. Bron: http://jco.ascopubs.org/content/31/32/4046/F3.large.jpg

Wanneer bloed prikken
We weten ook eigenlijk niet wat het beste moment is om bij gebruik van cytomel de vT3 waarde te controleren. Moet je dat ’s ochtends nuchter doen, wat meestal betekent zo’n 12-14 uur na de inname van het laatste tablet van cytomel, of moet je dat een aantal uren na inname doen, met de grootste kans dat de TSH waarde dan is onderdrukt? Als iemand onderzoeken kent, waarin een aantal keren per dag de bloedwaarden van schildklierhormoon zijn gemeten tijdens langdurig gebruik van cytomel, dan houd ik me aanbevolen.

’t Kan minder
Iemand anders zei ooit tegen mij: “Ik heb wel lichte klachten bij de cytomel: wat meer zweten, onrustig en oppervlakkig slapen, iets hoge hartslag. Dat laatste heb ik overigens mijn hele leven al. Maar mijn dochter klaagt niet meer, als ik haar aanraak, omdat ze me altijd veeeeel te koud vindt. Verder voel ik me scherper en alerter, minder last van down-gevoelens, meer zin in dingen. Ik neem die lage TSH waarde dus wel voor lief, met alle theoretische risico’s die daar bij horen.”

De lange termijn?
Bijwerkingen van medicijnen komen niet altijd snel aan het licht. Het is heel goed mogelijk dat een onderdrukte TSH waarde bij cytomel minder gevolgen heeft op de lange termijn dan bij gebruik van T4 alleen. Ook dit weten we niet.

Terug naar mijn patiënte. Zij is weer met cytomel begonnen, en het gaat haar weer stukken beter. Zij vraagt zich overigens af waarom sommige endocrinologen het gebruik van cytomel pertinent afwijzen, terwijl veel patiënten er zo duidelijk baat bij hebben. Alleen om de theoretische mogelijkheid van een kleine kans problemen op de lange termijn? Zij vraagt zich ook af waarom er zo weinig onderzoek gedaan wordt op dit gebied, en waarom alle aandacht gaat naar dure ingrepen en dure pillen. En ja, zij vindt mij nog steeds een sukkel. Gelukkig is zij niet de enige.

Dit stukje verscheen in druk in het Magazine Endocrinologie, 2016, nr.1

 

 

 

Intrinsic factor antibodies

Ask any doctor which assay their laboratory uses for measuring auto-antibodies against intrinsic factor, and I am sure that over 95% of them do not have any clue. Yet, measuring IF antibodies plays an important role in the diagnosis of pernicious anaemia. The NICE guidelines state the following:

 

In November 2025, CluB-12 published three ‘Articles of the month’ on their website and in their monthly Newsletter. The reason for this selection was an email from a Dutch doctor stating, ”I only give B12 injections to people who are anaemic and have antibodies against intrinsic factor.

Although vitamin B12 is an under-researched topic (which CluB-12 aims to correct), they selected the following three papers, in which the authors describe how they assessed the presence of IF antibodies in people with B12 deficiency.

What are the main findings of these papers?
In a study of 62 people with Biermer’s disease (another name for pernicious anaemia) in France (defined as B12 deficiency with either anaemia, atrophic gastritis, or severe neurological symptoms), 29 (47%) had detectable anti-IF antibodies when the authors used the DiaSorin assay (measurement method). When they repeated the measurements using other assays, such as those from Dxl, Aeskulisa, or BioAdvance, only 16, 12, and 12 people out of 62, respectively, tested positive for anti-IF antibodies.

A study in Poland included 124 people with proven pernicious anaemia. Of these, only 38 (30%) had antibodies to intrinsic factor (measured w. EliA, Thermo Fisher, Germany).

A study in Spain examined 5468 primary care patients out of whom 77 people had SEVERE vitamin B12 deficiency, defined as a serum B12 level below 74 pmol/L. A total of 44 patients (57%) had anti-parietal cell antibodies, whereas only 14% (11 of the 77) had antibodies to intrinsic factor (measured w. ELISA, Euroimmun, Germany). Worse still, only 32% had anaemia. The study does not mention the final diagnosis of these 77 unfortunate individuals. Given that around 1% of the population in Spain follows a plant-based diet, it is possible that some of these people had a B12 deficiency due to insufficient B12 intake, thus unrelated to the presence or absence of IF antibodies. Nevertheless, they all had a severe deficiency.

Key takeaway: Depending on the study, between 14 and 47% of people with PA had IF antibodies, but differences between assays may result in much lower percentages. The doctor who only treats people with B12 injections if they have anaemia with antibodies to intrinsic factor is, unfortunately, leaving many people with overt B12 deficiency untreated.

Links:
https://onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.1002/jcla.20272
https://www.degruyterbrill.com/document/doi/10.1515/cclm-2019-0749/html
https://www.mp.pl/paim/issue/article/15094/

 

It gets worse. A few weeks ago, a woman visited a medical specialist in the Netherlands. She was known to have pernicious anaemia, and had demonstrable auto-antibodies both against parietal cells and against intrinsic factor. Cause of the pernicious anaemia is, thus, autoimmune gastritis. Treatment with hydroxocobalamin injections according to the guidelines greatly reduced her symptoms. Yet, this medical specialist measured serum B12 and measured IF antibodies AGAIN. Serum B12 was high (PS. as is expected in people injecting B12) and IF antibodies were negative, so the advice was to stop B12 injections. The guidelines -reported above- are very clear, do not re-measure IF antibodies when they already tested positive on a previous occasion. It has been known for a couple of decades that high serum B12 in people injecting hydroxocobalamin may lead to false-negative IF antibody test results. Therefore, it is mandatory to do a good diagnostic work-up in people with pernicious anaemia BEFORE starting intramuscular B12 therapy. Testing again is throwing money out the window, as most laboratories charge between 40 and 60 Euro for such a test. No wonder that health care costs are increasing year after year…..  lack of knowledge and unnecessary lab testing are expensive.

Also, stopping B12 injections in a person with demonstrated pernicious anaemia and B12 malabsorption is not the best advice, to say it politely. In pernicious anaemia, there is a very high risk of worsening or recurrence of symptoms when B12 injections are stopped, and even when people are forced to switch to oral supplementation. This is why the NICE guidelines are very explicit: lifelong intramuscular vitamin B12 therapy !

 

 

Stopping B12 therapy in people with pernicious anaemia is bad practice.

You can read all about this here: https://www.nice.org.uk/guidance/ng239

 

This article appeared previously in CluB-12’s November 2026 newsletter.

For translation into Dutch, copy this blog to Google Translate