Schildklier, B12, type 1 diabetes – associaties
Schildklieraandoeningen, type 1 diabetes en vitB12 gebrek komen vaak samen voor.
Hier volgt een lijst met relevante literatuur gegevens.
Schildklieraandoeningen, type 1 diabetes en vitB12 gebrek komen vaak samen voor.
Hier volgt een lijst met relevante literatuur gegevens.

Een nieuw blog voor Bijniernet. Een gemakkelijke opgave? De afgelopen maand hebben de diverse collega’s al heel veel zaken de revue laten passeren. Van bijnieruitputting tot gedoe aan de balie van de apotheek. En volgens de strikte tijdslijnen van Jacqueline mocht ik daar voor half augustus een nieuw blog aan toevoegen.
Even terug in de tijd. Voor het jubileumnummer van de Bijniervereniging NVACP schreef ik in 2013 op verzoek een stukje over de toekomst van de behandeling van bijnieraandoeningen. Dat stukje ging over ‘Cedric’. Een futuristisch systeem bestaande uit een cortisol-sensor en een pompje voor het continu toedienen van hydrocortison bij mensen met de ziekte van Addison.
Lees het volledige blog op:
https://www.bijniernet.nl/2017/08/moeten-we-cedric-reanimeren-bruce-h-r-wolffenbuttel/

iThenticate is put on the market as “Plagiarism Software”. You can find a description on http://www.ithenticate.com/products/faqs.
We as researchers use the software in our university to scan the authenticity of -for instance- PhD manuscripts.
Its blabla is impressive “iThenticate has two primary benefits. First, authors can ensure they have sufficiently cited their sources and presented the highest quality written work. Second, this preliminary editorial review will allow editors to view and move submitted documents through the peer-review or referee process to publication, confident that content is original.”
Inappropriate use of this program can cause heartaches.
In a recent experience, the journal which applied the software on one of our papers, scanned and reported the results of the manuscript, including:
1. all author names and complete affiliations mentioned on the title page
2. the “Acknowledgements” section
3. the section on “Funding” and “Duality of Interest”
4. the section on “Availability of data and materials”
5. the section on Medical Ethical approval
6. the abstract, but unfortunately it was included twice !!
The use of iThenticate by the unexperienced can be a recipe for disaster.

The genetic architecture of common traits, including the number, frequency, and effect sizes of inherited variants that contribute to individual risk, has been long debated. Genome-wide association studies have identified scores of common variants associated with type 2 diabetes, but in aggregate, these explain only a fraction of the heritability of this disease. Here, to test the hypothesis that lower-frequency variants explain much of the remainder, the GoT2D and T2D-GENES consortia performed whole-genome sequencing in 2,657 European individuals with and without diabetes, and exome sequencing in 12,940 individuals from five ancestry groups. To increase statistical power, we expanded the sample size via genotyping and imputation in a further 111,548 subjects. Variants associated with type 2 diabetes after sequencing were overwhelmingly common and most fell within regions previously identified by genome-wide association studies. Comprehensive enumeration of sequence variation is necessary to identify functional alleles that provide important clues to disease pathophysiology, but large-scale sequencing does not support the idea that lower-frequency variants have a major role in predisposition to type 2 diabetes.
Read the full article at: <a href=”http://www.nature.com/nature/journal/vaop/ncurrent/full/nature18642.html”>http://www.nature.com/nature/journal/vaop/ncurrent/full/nature18642.html</a>
Deze literatuur samenvatting hoort bij een blog, dat recent op de website van Bijniernet is verschenen.

Photo by kirinqueen 
Exact om 7 uur werd Jill wakker van de zachte zoemtoon van haar wekkerradio. Die hadden ze flink moeten aanpassen toen Cedric in huis kwam. Het oude alarm was veel te luid, daar schrok Jill meestal zo van, dat Cedric haar gelijk een flinke extra dosis toediende. Zij stond vlug op, en met een klein sprongetje over haar kat heen liep zij de badkamer in.
Onder de douche bedacht Jill hoezeer Cedric haar leven had veranderd. Vroeger voelde zij zich zo slap als een dweil, als zij zo rond 8 uur eindelijk haar bed uit kwam. Nu voelde zij zich bij het opstaan al uitgerust en vol energie. Toen zij de buren vertelde dat Cedric zou komen, dachten die eerst dat het ging om een speelkameraadje voor haar kat. Cedric had echter geen vacht, alhoewel hij wel heel zachtjes kon spinnen. Cedric was een handig apparaatje.
Onder het afdrogen keek zij op Cedric’s display. Mooi, hij was om half zeven begonnen extra cortison toe te dienen. Dat was vroeg genoeg. In het begin stond Cedric afgesteld dat hij al om 6 uur extra cortison gaf. Dat was wel erg vroeg, dan stuiterde zij rond kwart voor zeven haar bed al uit. Jill wreef over haar buik. Gelukkig zag haar buikhuid er prima uit, alhoewel hij door de jaren heen vanwege het cortison gebruik wel wat dunner was geworden. Het litteken waaronder het cortison reservoirtje was ingebracht, zag er netjes uit. Er was eigenlijk nauwelijks wat van te zien.

In 2009 publiceerde ik samen met collega Marijke Boersma een artikel over de glucose sensor. In dit artikel werd de vraag behandeld wat de toegevoegde waarde is van continue glucose monitoring (CGM/RTCGM) bij de behandeling van type 1 diabetes mellitus. Daarnaast werd besproken welke techniek en accuraatheid de meetsystemen hebben. Een van de belangrijkste conclusies was dat CGM de zelfcontrole van de bloedglucose spiegel niet volledig kan vervangen, maar het gebruik bij bepaalde patiëntengroepen een belangrijke toevoeging kan zijn, bijvoorbeeld bij patiënten met hypoglycemie ‘unawareness’ en bij patiënten die met conventionele behandeling de glucose spiegels niet onder controle krijgen. Voor deze patiënten zou het gebruik van CGM moeten worden vergoed. Of CGM gebruik de lange termijn complicaties van diabetes ook zal verminderen moest nog blijken in de toekomst, maar kon wel verwacht worden gezien de betere glucose regulatie die via RTCGM kan worden bereikt.
De volgende kennis was in het jaar 2009 over dit onderwerp beschikbaar, en door ons letterlijk in het artikel beschreven.
“Voor voornamelijk patiënten met hypo-unawareness en nachtelijke hypoglycemieën is het belangrijk dat de CGM effectief is in het voorkomen van ernstige hypoglycemieën en de gevolgen daarvan. Hierboven is beschreven dat de tijd in hypoglycemie afneemt en in het voorgaande hoofdstuk zijn de percentages beschreven van het aantal hypoglycemieën dat de verschillende CGM’s detecteren. Maar het is voor zover wij weten, niet onderzocht en bovendien erg lastig te onderzoeken of het aantal ernstige hypoglycemieën en de gevolgen daarvan, bijvoorbeeld verkeersongelukken, door CGM gebruik daadwerkelijk worden beperkt. Er zijn wel aanwijzingen in die richting, die aannemelijk maken dat CGM een belangrijke toegevoegde waarde heeft voor deze patiëntengroep. Allereerst toonde de studie van McGarraugh en Bergenstal aan dat veelvuldig hypoglycemieën niet worden opgemerkt, terwijl met CGM vele van deze hypo’s wel werden opgemerkt. Buckingham et al beschreven vier patiënten, die een door hypoglycemie veroorzaakte epilepsie aanval kregen, terwijl zij toevallig een sensor droegen. Bij 3 patiënten werd de gegevens retrospectief beoordeeld, en werd geconcludeerd dat het alarm van de CGM al 2 tot 4 uur vóór de epileptische aanval vanwege glucosespiegels in het hypoglycemische gebied zou zijn afgegaan. Zij vinden het zeer aannemelijk dat bij ‘real time’ meting de ernstige hypoglycemie had kunnen worden voorkomen. Bij de 4e patiënt was er sprake van hypoglycemie alarmering door haar ‘real time’ Paradigm RT CGM annex insulinepomp, maar dit werd niet gehoord doordat de pomp onder de dekens lag, waardoor het alarmsignaal werd gedempt. (meer…)

We lijken een beetje doorgeslagen met het B12 probleem. Let wel, B12 tekort is een serieus probleem dat een serieuze aanpak behoeft. Maar kijkend naar wat ik op internet zie voorbij komen aan berichten, en aan patienten met vragen verwezen krijg over B12 en zwangerschap, is het tijd voor enige bezinning.
Een B12 waarde in het bloed van lager dan 140 pmol/l is in de regel afwijkend, maar lang niet iedereen heeft bij zo’n waarde klachten. Een waarde tussen 140 en 300 pmol/l is een soort grijs gebied, en de eerste verstandige ziekenhuizen bieden nu bij zo’n uitslag aan om aanvullend het MMA (methylmalonzuur) gehalte te testen (http://goo.gl/dCKuQA). Naar onze eigen ervaring in Groningen heeft 20% van de ouderen met bloedarmoede en een B12 spiegel tussen de 140 en 300, een verhoogd MMA gehalte, wijzend op B12 tekort op weefselniveau.
Bij steeds meer vrouwen wordt tegenwoordig tijdens de zwangerschap het B12 gehalte getest. Het afgelopen half jaar heb ik drie jonge vrouwen gezien, bij wie dat gebeurd was. En die bij B12 waarden tussen de 170 en 190 pmol/l ineens aan de B12 injecties moesten, zonder nadenken, zonder MMA of homocysteine te meten, en – wat ook bijzonder is – zonder dat zij klachten hadden die enigszins bij B12 tekort zouden kunnen passen.

Het afgelopen jaar is er door de wetenschappelijke verenigingen van internisten hard gewerkt om te komen tot een gezamenlijke ‘wetenschapsagenda’, een overzicht van problemen en vraagstellingen voor méér en beter onderzoek op het gebied van een breed scala aan ziekten. Ook SON en de Nederlandse Vereniging voor Endocrinologie hebben hieraan meegewerkt. De volledige Top-15 van vraagstukken op gebied van de Endocrinologie vindt u hier: https://www.nve.nl/prioritering-items-endocrinologie-wetenschapsagenda-niv
Ook voor onderzoek op het gebied van schildklieraandoeningen is veel aandacht, en onder meer de volgende vraagstellingen zijn gedefinieerd:
Op welke wijze beïnvloeden ‘life events’ als zwangerschap, en menopauze de kwaliteit van leven bij mensen met een schildklierziekte? Verminderde kwaliteit van leven heeft aanzienlijke invloed op dagelijks functioneren, arbeid en gezondheid, opvoeden van jonge kinderen, kortom volwaardige participatie in de maatschappij. Onderzoek naar verminderde kwaliteit van leven, en behandeling of preventie hiervan, staat hier centraal.
Welke mensen met hypothyreoïdie hebben de meeste voordeel van T4-T3 combinatie behandeling? Over deze behandeling zijn nog steeds veel onduidelijkheden. Meer informatie over de korte en de lange termijn effecten van combinatie behandeling, vooral bij mensen met hypothyreoïdie en zgn. ‘restklachten’ is zeer gewenst.
Kunnen nieuwe initiatieven op gebied van “farmacogenetica” (DNA onderzoek naar geneesmiddeleffect en -reactie) sturing geven aan de behandeling? Van de meeste behandelingen is niet bekend welke patiënten het beste reageren, en bij wie een behandeling grotere kans op complicaties geeft: voorbeeld is huiduitslag en (minder frequent) problemen met de witte bloedcellen (agranulocytose) bij gebruik van de schildklierremmer strumazol. Aandacht voor farmacogenetica kan leiden tot betere, op de persoon afgestemde behandeling van endocriene aandoeningen.
Wat is het effect van screenen van de schildklierfunctie op verminderen van ongewenste zwangerschapsuitkomsten en verbeteren van de ontwikkeling van het kind? Dienen vrouwen te worden onderzocht op schildklier-antistoffen (bv. tegen TPO, thyroidperoxidase) voorafgaande aan of tijdens de zwangerschap met het doel een vrouw met aantoonbare antistoffen te behandelen met schildklierhormoon om de kans op een miskraam te verkleinen?
Ik denk dat het geweldig is dat binnen de wetenschappelijke vereniging van endocrinologen het onderzoek op het gebied van de schildklier hoog op de prioriteitenlijst staat. De onderzoekers op dit gebied en de patiëntenvereniging moeten nu de handen ineen slaan om deze onderwerpen ook bij verstrekkers van onderzoeksbeurzen en subsidies op de agenda te krijgen. Een mooie wetenschapsagenda opstellen is geen immens moeilijke opdracht, het geld voor succesvolle uitvoering van deze onderzoeksplannen bij elkaar schrapen is een stuk ingewikkelder.
Dit blog verscheen in het tijdschrift Schild.

Meneer Jansen* ken ik al een aantal jaren. Hij heeft een schildklier aandoening, en ook type 2 diabetes. Hiervoor gebruikt hij metformine en een DPP4 remmer. Het lukt hem niet om af te vallen, ondanks regelmatige lichaamsbeweging en rondjes op de hometrainer. Zijn BMI blijft rond de 30 kg/m2 steken. In de loop van de tijd verslechterde zijn diabetes regulatie, en bij de laatste controle was het HbA1c gestegen naar 8.7%.
Eigenlijk moet zijn behandeling verder worden geïntensiveerd. Maar dan komt het probleem dat hij buschauffeur is, en behandeling met insuline betekent waarschijnlijk het einde van de carrière van deze 52-jaar jonge man. Hij kan natuurlijk ook uitstekend met een GLP1-receptor agonist behandeld worden, bv. Liraglutide, maar die behandeling wordt in ons land niet vergoed. Dan moet je BMI boven de 35 kg/m2 zijn.
MIDD, ofwel Maternally Inherited Diabetes and Deafness, is een zeldzame, mitochondriëel erfelijke vorm van diabetes mellitus, waarbij de pancreas onvoldoende insuline afgeeft en vaak gepaard gaat met doofheid of slechthorendheid en soms ook met andere problemen, zoals nierproblemen en spierzwakte. MIDD wordt doorgegeven van moeder op kind en komt in Nederland bij minder dan 1% van de mensen met diabetes voor. MIDD wordt meestal tussen het 30e en 40e levensjaar ontdekt, heeft zowel kenmerken van type 1 als type 2 diabetes en verschilt in vorm en ernst per persoon.
De bijbehorende doofheid of slechthorendheid treedt meestal 10 tot 15 jaar eerder op voordat de diabetes ontstaat. Veel mensen met MIDD hebben door de stoornis in de mitochondriën ook problemen met de energiestofwisseling in de spieren, en daardoor bij inspanning snel klachten van spierpijn en vermoeidheid.
Met genetisch onderzoek kan MIDD worden aangetoond. MIDD wordt vermoed als de moeder diabetes heeft en bovengenoemde problemen zich voordoen. DNA-onderzoek kan uitsluitsel geven. Dit is vooral van belang omdat bepaalde medicijnen, zoals metformine en statines, bij deze patiënten zijn gecontraïndiceerd.
Recente reacties