Schildklier anno 1933

In 1933 was de behandeling van de schildklier zo complex nog niet. Hoe kon de practicus hormonen suppleren? Prof. Tausk beschreef het in een van de uitgaven van Het Hormoon, in oktober 1933. Let wel dat in die tijd het meten van TSH, vrijT4, vrijT3 etc allemaal niet mogelijk was.

De ‘practicus’ werd beschouwd te zijn ‘een arts, die veel patienten en weinig tijd heeft, die voor zoveel mogelijk kwalen met zoo weinig mogelijk middelen moet trachten toe te komen; een die gaarne met zoo weinig mogelijke methoden, zooveel mogelijk (juiste !) diagnoses stelt en de geslaagde therapie niet alleen beschouwt als bevestiging van die diagnosen’. Niet veel veranderd dus sinds 1933, zou je denken?

Tausk en zijn staf schrijven verder: het droge schildklierpoeder komt reeds in alle pharmacopeeen voor. Succes kan, bij de juiste indicatie, niet uitblijven. Voor volwassenen kan men met 50 mg pro dosi beginnen en opklimmen. Gevallen van aangeboren myxoedeem en hypothyreotische dwerggroei zijn zeldzaam, maar dankbaar. De schildklier verhoogt het basaal metabolisme. Dit is in de praktijk meestal niet gemakkelijk te bepalen. In de praktijk bezit men in het getal van Read een vrij betrouwbaar hulpmiddel, dat het stofwisselingsonderzoek desnoods kan vervangen. Het getal van Read geeft de afwijking van het basaal metabolisme in procenten van het normale aan en wordt verkregen door de vergelijking:

X  = 0.75 (pols + bloeddrukamplitude x 0.74) – 72.

Zelfs in de tijd van Tausk werd al niet meer gebruik gemaakt van de thermometer om de diagnose hypothyreoidie te stellen.