Het is al weer ruim 8 jaar geleden dat ik mijn inaugurele rede hield. Met deze openbare lezing aanvaardt een hoogleraar zijn ambt en leeropdracht. Als ik terugkijk naar wat ik toen heb geschreven, dan is veel nog altijd actueel.
Over de aandoening ‘diabetes mellitus’ schreef ik in de samanvatting het volgende:
“Niet alleen binnen het onderzoek, maar ook binnen de patiëntenzorg is diabetes mellitus een aandoening waarbij een multidisciplinaire aanpak centraal staat. De internist-endocrinoloog als centrale spil in het zorgtraject kan hierbij niet zonder een intensieve samenwerking met meerdere disciplines waaronder -in willekeurige volgorde- de diabetesverpleegkundige, diëtist, psycholoog, oogarts, cardioloog, hartchirurg, neuroloog, revalidatie-arts, chirurg, kinderarts, gynaecoloog en nucleair geneeskundige.
Wat de diabetes betreft: het aantal personen dat lijdt aan deze aandoening neemt snel toe. Het grote aantal van hen dat micro- of macrovasculaire complicaties ontwikkelt, vormt de komende jaren een aanzienlijke belasting voor onze gezondheidszorg, in tijd voor hulpverleners en in geld. Hierbij speelt ook een rol, dat mensen steeds jonger diabetes krijgen, en dus alle tijd hebben om die complicaties daadwerkelijk te ontwikkelen. Krachtige inspanningen zijn dan ook noodzakelijk om de ontwikkeling van complicaties te voorkomen, en de hiermee gepaard gaande invaliditeit, verlies van kwaliteit van leven, en vroege sterfte. Preventie van complicaties begint met de preventie van diabetes, en begint dus al in de jeugd!
In de pathofysiologie van diabetische complicaties speelt de vorming van AGEs een grote rol. AGEs worden gevormd onder invloed van hyperglycemie, maar ook specifieke voedingsbestanddelen en roken spelen een rol, terwijl genetische factoren, de functie van specifieke AGE-receptoren en de nierfunctie een rol spelen bij de verwijdering van AGEs uit het lichaam. Onze huidige aanbevelingen voor de behandeling van personen met diabetes zijn ‘evidence-based’. In de UKPDS en andere interventiestudies is bewezen dat verbetering van de glycemische instelling én adequate controle van verhoogde bloeddruk en dyslipidemie het ontstaan en het voortschrijden van micro- en macrovasculaire complicaties uitstelt. Bovendien zijn deze interventies kosteneffectief. We zijn er echter nog lang niet; enerzijds omdat de implementatie van richtlijnen in de dagelijkse praktijk nog onvoldoende is. Anderzijds omdat ‘causale’ therapie, behandeling die specifiek gericht is op het onderliggende biochemische proces, nog in de kinderschoenen staat. Nieuwe technieken zoals ‘genomics’ en ‘proteomics’ zullen ons de komende jaren gaan leren welke patiënt de meeste baat heeft bij welke interventie.”
Hier vindt u de volledige tekst van de lezing.






Recente reacties