VitB12 en cognitieve achteruitgang

De laatste paar jaar zien we steeds meer onderzoekingen naar de relatie tussen vitamine B12 en cognitief functioneren op oudere leeftijd. Onderstaande artikel beschrijft een heel mooi en gedegen onderzoek op dit gebied.

 

Dit artikel van Francesca Marino en collega’s beschrijft een groot onderzoek naar de rol van vitamine B12 in het behoud van cognitieve functies (zoals geheugen, taal en plannen) bij oudere mensen. De onderzoekers wilden weten of mensen die vanaf middelbare leeftijd tot op oudere leeftijd een betere vitamine B12-status hebben, minder snel achteruitgaan in hun denken en geheugen dan mensen met een lage B12-status.
Mede-auteurs Josh Miller en Jacob Selhub zijn bekende onderzoekers op het gebied van de B12 stofwisseling, en o.a. lid van CluB-12 (https://www.club-12.org).

De bevolking veroudert en dementie komt steeds vaker voor. Hoewel dementie niet te genezen is, weten we dat sommige (leefstijl)factoren de kans op cognitieve achteruitgang kunnen beïnvloeden. Eerder onderzoek naar de relatie tussen B12 en cognitief functioneren leverde tegenstrijdige resultaten op. Een belangrijk probleem is dat veel studies B12 slechts één keer meten, of alleen vragen naar voeding, wat onnauwkeurig kan zijn. Ook de bloedwaarde van B12 geeft niet altijd een goed beeld: iemand kan een “normale” B12 hebben terwijl de cellen toch te weinig B12 krijgen of kunnen opnemen uit het bloed. Daarom gebruikten de onderzoekers in dit onderzoek een combinatie-indicator, de 3cB12 indicator, die drie biomarkers samenvoegt: vitamine B12, methylmalonzuur (MMA) en homocysteïne (Hcy). Ook al weten we dat bij B12 tekort de biomarkers MMA en Hcy niet altijd verhoogd zijn, toch geeft dit een veel betrouwbaarder beeld van de balans in de B12 stofwisseling.

(meer…)

De AGE-reader

 

John Mulder, CEO of Diagnoptics: “Mid September, a Dutch national newspaper devoted a full-page article to biological age and AGEs. It’s striking to see how a topic that once lived only in research papers and specialist discussions is now reaching a much wider audience.

Public awareness of biological age is clearly growing, not only among scientists and clinicians, but also within society at large. This raises an important question for all of us in the medical field: how do we translate this momentum into clinical practice?

AGEs remain underexplored in everyday healthcare. Yet early findings already suggest they can add value in prevention, patient engagement, and even perioperative decision-making. For me, this underscores the importance of bridging science and practice, ensuring that what we measure can truly drive better care.

Bron: LinkedIn

(meer…)

Dieet-kookboek voor suikerzieken (1935)

Zo’n 90 jaar geleden bracht uitgevers-maatschappij Kosmos het Dieet-kookboek voor suikerzieken uit.

 

Een handzaam boekje vol tabellen en recepten. Tabellen met het koolhydraat- en eiwitgehalte van gerechten.
Recepten voor verantwoorde gerechten voor mensen met diabetes, en wel de variant die we nu type 1 diabetes noemen.
Van bloemkool- en spinaziesoep, tot toespijzen van aardbeiendparfait tot vanillevla en vruchtenvla, en enkele cocktails.

 

Je wordt vrolijk van de cokcktails die op blz 53 zijn beschreven, bv de Turfclub: 20 c.c. Rhum, 40 c.c. Cognac, paar dr. Angustora (een kruidenbitter).

Er was zelfs een lijst van voedingsmiddelen met hun vermoede gehalte aan A, B, C, D en E vitamine. Met nog bar weinig onderscheid tussen de B vitamines, bv vitamine B12 was nog niet ontdekt.
Acht a negen jaar eerder, in 1926, was de zogenaamde “antipernicieuze factor” ontdekt door George Minot en William Murphy. De bron was de lever, de basis voor de behandeling van mensen met B12 tekort in de jaren 30 en 40. Pas in 1948 werd vitamine B12 als aparte stof geïsoleerd.

Het voorwoord van het boek werd geschreven door dr. Jac. J. de Jong, die terecht stilstond bij de immense landverschuiving die was opgetreden door het beschikbaar komen van insuline, als behandeling van type 1 diabetes, vanaf 1922.
Twee citaten:

 

 

Parkinson’s disease & vitamin B12

Parkinson’s disease (PD) is a complex neurodegenerative disorder that affects movement and a wide range of motor and non-motor functions. Among the various factors studied in relation to PD, vitamins—particularly vitamin B12—have garnered significant attention. Recent research suggests that vitamin B12 deficiency not only exacerbates the symptoms of PD but may also play a role in its progression. This article explores the intricate relationship between vitamin B12 and Parkinson’s disease, including its potential mechanisms, clinical manifestations, and therapeutic implications.

Given the strong association between B12 deficiency and PD symptoms, supplementation has been proposed as a potential therapeutic strategy. Studies suggest that vitamin B12 supplementation may:

1. Improve gait and balance in PD patients with neuropathy.

2. Reduce homocysteine levels, potentially slowing cognitive decline.

3. Support nerve regeneration and reduce the risk of neuropathy.

4. Enhance overall well-being and quality of life in PD patients.

However, it is important to note that while B12 supplementation can address deficiency-related symptoms, it is not yet proven to modify the course of PD itself. More research is needed to determine whether B12 therapy can alter disease progression in a meaningful way.

For PD patients, regular monitoring of vitamin B12 levels is recommended, especially for those undergoing long-term Levodopa therapy. If a deficiency is detected, supplementation should be considered to prevent further complications. Physicians may also recommend dietary adjustments to include more B12-rich foods or prescribe injectable forms of the vitamin for better absorption.

Link: https://link.springer.com/article/10.1007/s00702-024-02769-z

 

 

Semmelweis museum

In de hart van Boedapest, Hongarije, staat het kleine maar indrukwekkende Semmelweis museum, ter ere van een man die de medische wereld in de 19e eeuw heeft getransformeerd: Dr. Ignacz Semmelweis.

Het leven van Semmelweis leest als een tragedie van enerzijds wetenschappelijke frustratie maar anderzijds voldoening en en overwinning. Semmelweis leefde in een periode waarin de noodzaak van hygiënische maatregelen in de geneeskunde niet algemeen werd erkend. Aanvankelijk weigerden veel artsen zijn theorieën en inzichten te accepteren, wat zijn boodschap des te krachtiger maakte en ons nu, meer dan ooit, herinnert aan het belang van persoonlijke hygiëne.

 

Ignacz Semmelweis werd geboren op 1 juli 1818 in Buda, het huidige deel van Boedapest. Hij kwam uit een welgestelde familie en kreeg een uitstekende opleiding. Semmelweis studeerde geneeskunde aan de Universiteiten van Pest en van Wenen, waar hij in 1844 afstudeerde; vijf dagen nadat zijn moeder overleed. Na zijn geneeskunde studie bekwaamde hij zich verder in de chirurgie en de verloskunde, en in juli 1846 werd hij benoemd als medisch specialist in de verloskunde in de Vrouwenkliniek in Wenen, die onder leiding stond van professor Klein.

 

Hier werd hij geconfronteerd werd met de hoge sterftecijfers onder kraamvrouwen. In die tijd waren er twee afdelingen in de kliniek, één waar voornamelijk vroedvrouwen werkten, en één waar medische studenten de patiënten begeleidden. De sterfte aan kraamvrouwenkoorts was rond de 3% in de eerste afdeling, maar tot wel 18% in de tweede afdeling! Het viel op dat vrouwen die bevielen in de vroege ochtend, meestal meer kans hadden om te overlijden dan vrouwen die overdag bevielen. Dit wekte zijn nieuwsgierigheid en leidde tot een diepgaand onderzoek. In de vroege jaren 1800 was er nog weinig begrip van infectiepreventie, en artsen voerden vaak hun taken uit zonder enige vorm van hygiëne. Semmelweis begon op te merken dat de artsen en student-artsen die bevallingen hielpen, vaak ook overleden vrouwen onderzochten zonder hun handen goed te ontsmetten. Hij kwam op het idee dat een soort besmetting, veroorzaakt door deze “klinische infecties”, verantwoordelijk kon zijn voor de enorme sterfte onder kraamvrouwen. Eén belangrijke en dramatische gebeurtenis ondersteunde zijn conclusies: de 44-jarige hoogleraar Kolletschka overleed in 1947 aan een beeld dat erg op dat van kraamvrouwenkoorts leek, nadat hij tijdens een autopsie in zijn vinger was geprikt door een student met het mes, dat voor de autopsie werd gebruikt. Kolletschka overleed, zo werd beschreven, een aantal dagen later aan de gevolgen van een zeer ernstige infectie. In 1847 introduceerde Semmelweis daarom een procedure om de handen grondig te wassen met een chlooroplossing voordat studenten bevallingen bijwoonden en uitvoerden. Het resultaat was verbluffend; de sterftecijfers daalden van meer dan 18% naar minder dan 2%. Dit ontdekkingsproces was essentieel voor de verdere ontwikkeling van hygiënische praktijken in de geneeskunde.

(meer…)